Ware eigenbelang van de mens

Hare Krsna,
Een toegewijde kan om materiële zegeningen vragen, maar Heer Krsna geeft hem niet zulke zegeningen, ondanks de gebeden van de toegewijde. Daarom worden mensen die erg gehecht zijn aan het materiële leven over het algemeen geen toegewijden van Krsna of Visnu. In plaats daarvan worden ze toegewijden van de devata’s (kamais tais tair hrta-jnanau prapadyante ‘nya-devatau [B.G. 7.20]). De zegeningen van de devata’s worden echter veroordeeld in de Bhagavad-gita. Antavat tu phalam tesam tad bhavaty alpa-medhasam [B.G. 7.23]: “Mensen met weinig intelligentie aanbidden de devata’s, en hun vruchten zijn beperkt en tijdelijk.” Een non-Vaisnava, iemand die zich niet bezighoudt met dienst aan de Allerhoogste Godspersoon, wordt beschouwd als een dwaas met een beperkte herseninhoud.
—Srimad Bhagavatam, 6.9.50, betekenis, van Srila A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada

Is materieel gewin een Zegening of Vergif?
Er zijn twee soorten mensen: krpana’s en brahmana’s. Een brahmana is iemand die Brahman, de Absolute Waarheid, kent en dus weet wat zijn werkelijke belang is. Maar een krpana is iemand met een materiële, lichamelijke levensbeschouwing. Een krpana weet niet hoe hij zijn leven als mens of als devata moet benutten en hij is aangetrokken tot de dingen die door de geaardheden der materiële natuur zijn geschapen. De krpana’s, die er altijd op uit zijn om materiële vooruitgang te boeken, zijn dwazen, terwijl de brahmana’s, die altijd geestelijke vooruitgang willen maken, intelligent zijn. Als een krpana, die zijn eigenbelang niet kent, zo dom is om iets materieels te vragen, is degene die hem dat geeft ook een dwaas. Maar Krsna is geen dwaas; Hij is de allerintelligentste. Als iemand naar Krsna toekomt en Hem om iets materieels vraagt, geeft Krsna het hem niet, maar schenkt hem in plaats daarvan intelligentie zodat hij zijn materiële verlangens vergeet en gehecht raakt aan Zijn lotusvoeten. Ofschoon de krpana Heer Krsna om materiële bidt, neemt de Heer in dergelijke gevallen zo iemand al zijn materiële bezittingen af, en geeft hem het gezonde verstand om een toegewijde te worden. In het Caitanya-caritamrta (Madhya 22.39) verklaart de Heer:
ami—vijna, ei murkhe ‘vinaya’ kene diba?
sva-caranamrta diya ‘vinaya’ bhulaiba

“Aangezien Ik zeer intelligent ben, waarom zou Ik deze dwaas dan materiële voorspoed schenken? In plaats daarvan zal Ik hem ertoe brengen om de nectar van de bescherming van Mijn lotusvoeten te aanvaarden, en hem het illusoire materiële genot doen vergeten.”

Als men God oprecht bidt om materieel bezit in ruil voor toegewijde dienst, bewijst de Heer, die niet zo dwaas is als een onintelligente toegewijde, hem een speciale gunst door hem al zijn materiële bezittingen af te nemen en hem geleidelijk de intelligentie te geven om alleen voldaan te zijn met de dienst die hij aan Zijn lotusvoeten bewijst. Srila Visvanatha Cakravarti Thakura merkt in dit verband op dat als een dwaas kind zijn moeder vraagt om hem vergif te geven, de moeder, die intelligent is, zal dat zeker niet doen. Een materialist weet niet dat het aannemen van materiële bezittingen hetzelfde is als vergif nemen, omdat het betekent dat men steeds weer geboren moet worden en sterven. Een intelligent mens, een brahmana, streeft naar bevrijding uit het materiële gevangenschap. Dat is het ware eigenbelang van de mens.

—Srimad-Bhagatavam, 6.9.49, betekenis, van Srila A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada, vertaald door Hayesvara Prabhu

© 2014 Bhagavad Gita Seminar