Het doden van onze moeder: een kenmerk van beschaving?

Het volgende is een gesprek tussen Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja en Professor John Mize. Dit gesprek vond plaats in Los Angeles op 23 juni, 1975.

Professor Mize: Als de Heer alle kwaliteiten heeft, betekent dit dat Hij zelfs jaloezie kent?

Srila Prabhupada: Alles.

Professor Mize: Het is moeilijk om je een jaloerse Krishna voor te stellen.

Srila Prabhupada: Ja.

Professor Mize: Waar zou hij bijvoorbeeld jaloers of afgun­stig op kunnen zijn?

Srila Prabhupada: Je kunt over welke kwaliteit dan ook spreken, of dat nu woede is of welke andere emotie dan ook — God heeft het in een grotere hoeveelheid en in een perfecte hoeveelheid. Dat is de idee van God, zonder enige… hoe

heet dat ook alweer?

Professor Mize: Onvolmaaktheid.

Srila Prabhupada: Onvolmaaktheid, ja.

Professor Mize: Ik hoop dat Hij mijn onwetendheid niet in zo’n enorme hoeveelheid heeft.

Srila Prabhupada: Maar onwetendheid is niet iets wat wezenlijk of werkelijk bestaat.

Professor Mize: Woede en jaloezie wel?

Srila Prabhupada: Ja, woede is soms actief. Als je niet boos wordt, kun je ook niet vechten.

Discipel: In de vedische literatuur zijn er veel verhalen over de woede van Krishna; van zijn prilste babyjaren tot aan zijn latere leven.

Srila Prabhupada: Ja.

Discipel: De daden van Krishna zijn altijd goed.

Professor Mize: Rechtvaardige woede.

Discipel: Ja, spirituele woede.

Srila Prabhupada: Alles heeft zo zijn nut. In de mate­riële toestand beseffen we dat niet. Daarom heeft Narottama Dasa Thakura een lijst gemaakt: hoe je je woede kunt gebruiken, en je hebzucht — op die manier. Hij zegt: kamah krsna-karmarpane — we hebben het sterke verlangen om iets te doen voor ons eigen zin­genot, maar hetzelfde verlangen, dezelfde neiging, kan gebruikt worden om Krishna te dienen.

Ik schrijf bijvoorbeeld boeken en blijf ‘s nachts laat op, de hele nacht. Voor een oude man als ik is dat vervelend. Maar ik doe het voor Krishna. Op dezelfde manier zal een andere schrijver misschien de hele nacht opblijven om sekslectuur te schrijven. De moeite die het je kost om sekslectuur te maken en de moeite om het Bhagavatam te vertalen is hetzelfde. Het kan dezelfde ambitie zijn: ‘Ik zal een groot auteur worden. Ik zal beroemd worden. Maar het een wordt gedaan voor Krishna en het ander voor zingenot.

De neiging om een beroemd schrijver te worden, of de moeite die dat kost, is dus hetzelfde, maar het wordt gebruikt voor verschillende doeleinden. Op dezelfde manier kun je elke andere kwali­teit nemen. Hanuman werd bijvoorbeeld kwaad op de demon Ravana. Hij stak zijn stad in brand. Hij vernietigde de hele stad. Hanuman toonde zijn woede, maar niet voor zijn eigen zingenot; hij wilde Heer Rama dienen. Sita, de echtgenote van Rama, was door Ravana ontvoerd en daarom werd er gevoch­ten, en Hanuman ontstak daarbij het vuur. Het is niet goed je huis of land in brand te steken, maar hij deed het om Heer Ramacandra tevreden te stellen.

Alles heeft dus zijn eigen nut wanneer het gebruikt wordt om Krishna te dienen. Dat is Krishna-bewustzijn. We zijn levende wezens. We zijn bewust. We kunnen niks opgeven. Maar we worden getraind hoe we alles kunnen gebruiken voor Krishna. Dat is Krishna-bewustzijn.

Discipel: Srila Prabhupada heeft een boek geschreven over verschillende filosofen. Prabhupada bespreekt hierin waar hun ideeën aansluiten op Krishna-bewustzijn en waar hun ideeën tekortschieten.

Professor Mize: Ik zie er naar uit het te zien.

Discipel: Srila Prabhupada, spreekt u in dit boek over de filosofie van Kant? Zoals u weet is hij erg populair.

Srila Prabhupada: Ja, Kant is erg populair. Ik heb ook filosofie gestudeerd. In mijn studententijd waren al mijn professoren Europeanen. Ik studeerde aan het Scottish Church’s College, in Kolkata (Calcutta). Dr. W.S. Urquhart was onze professor voor psychologie en metafysica. Later werd hij de rector magnificus van de Universiteit van Calcutta. Een heel aardige gentleman.

Discipel: Srila Prabhupada, professor Mize merkt dat hij onder de douche een beetje Hare Krishna chant. Als hij een douche neemt, chant hij een beetje.

Srila Prabhupada: (lachend) In Berkeley, tijdens de eerste dagen van onze beweging, schreef een verslaggever: ‘Na het bezoek aan de universiteit en voor een paar minuten ‘Hare Krishna’ gehoord te hebben, ging ik naar huis en chantte ik de hele weg ‘Hare Krishna, Hare Krishna: Dat was zijn verslag.

Discipel: Veel geleerden hebben het er moeilijk mee om zich te realiseren dat enkel door het chanten van Hare Krishna…

Srila Prabhupada: Ja, het is zo fijn en zo makkelijk.

Discipel: …je tot het hoogste filosofische besef kunt komen —   enkel door Hare Krishna te chanten.

Professor Mize: Mijn dank hiervoor, Uwe Goddelijke Genade.

Srila Prabhupada: Neem deze heerlijke prasadam.

Professor Mize: (begint te eten) Dit is heerlijk!

Srila Prabhupada: Krishna heeft zo veel lekkere dingen gegeven. Waarom zouden we arme dieren doden? Dat is niet goed. Er is geen spirituele visie: samah sarvesu bhutesu

—   het besef dat elk levend wezen gelijk is aan mijzelf, als een spirituele ziel, eenintegrerend deeltje van God. Tegen­woordig is de doorsnee mens geen brahmana. Ze zeggen dat dieren geen ziel hebben en gebruiken dat als een excuus om hen te doden. Hoezo ‘dieren hebben geen ziel’?

Discipel: Maar Prabhupada, soms zeggen mensen dat vegetariërs ook groenten doden.

Srila Prabhupada: Dat is okay. Groenten leven ook. Maar wij doden ze niet. Als je een bloesem plukt, is de struik niet gedood. Als je een vrucht neemt, dood je daarmee nog niet de boom. Als je granen oogst, zijn ze al dood. Dan pas kun je de granen oogsten. Er is geen sprake van doden. Maar zelfs als we doden, dan zou het niet zo moorddadig zijn als het doden van een koe.

Waarom wordt een mens opgehangen door de staat als hij een ander mens doodt? Zo iemand kan pleiten: ‘Maar er worden elke dag zo veel dieren gedood; als ik een mens dood, wat is daar dan verkeerd aan?’ De straf is er omdat `je een heel belangrijk dier hebt gedood:

In de Bhagavad-gita vinden we daarom de woorden krsi-go-raksya: de koe moet beschermd worden, omdat ze een zeer belangrijk dier is. In feite heeft Heer Krishna het niet over andere dieren. Ook spreekt hij niet over ‘alle dieren: Hij zegt ‘koeien, omdat de koe zo ontzettend belangrijk is. Zij geeft je melk, dat zulk belangrijk voedsel is. Ze is je moeder — en u doodt uw moeder? Is dat beschaving? Je moeder doden?

`Mijn moeder is oud; mijn moeder geeft niet langer melk. Doodt haar: Wie heeft daarvoor zijn goedkeuring gegeven? Onze oude moeder zou juist meer bescherming moeten krijgen. Wat is dit voor een beschaving — onze moeder doden? In de ochtend hebben we meteen melk nodig, en onze moeder geeft het aan ons. En als ze niet meer in staat is het te geven: ‘doodt haar? Wat is dat voor een filosofie?

Discipel: Srila Prabhupada, ik legde dit simpele idee tijdens een gesprek op een universiteit uit en een man zei: ‘Dat is slechts jouw sentiment’ Ik vroeg hem of hij een hond had. En hij zei: ‘Ja’ Daarna vroeg ik hem: ‘Als uw hond oud wordt, zul je haar dan doden?’ En toen zei hij: ‘Nee, waarom zou ik haar doden? Het is een goede hond.’

Srila Prabhupada: In deze beschaving is de hond goed en de koe slecht. De hond laat onaangename overblijfselen achter, terwijl de koe zo zuiver is dat het wetenschappelijk bewezen is dat zelfs haar uitwerpselen zuiver en antisep­tisch zijn — toch moet ze gedood worden.

Geleerden en filosofen zouden daarom het belang van deze beweging moeten inzien en zouden moeten begrijpen hoe nuttig ze is. Mensen lijden omdat ze geen kennis hebben van de spirituele ziel. Met hun zogenaamde onderwijs houden ze zichzelf op het niveau van dieren. Behalve wan­neer er spiritueel begrip is, heeft het zogenaamde onderwijs van mensen geen enkele waarde. Harav abhaktasya kuto mahad-guna / manorathenasati dhavato bahih: ze zullen op het mentale niveau blijven, en omdat hun geest nu materi­eel besmet is, zullen ze op het materiële niveau blijven. Ze kunnen geen enkele vooruitgang maken. Men moet op het spirituele niveau komen. Dat is noodzakelijk.

Discipel: Srila Prabhupada, wat is het kenmerk waaruit men kan opmaken dat men het spirituele niveau bereikt heeft?

Srila Prabhupada: Dat heb ik al uitgelegd. Prasannatma na socati na kanksati/ samah sarvesu bhutesu: je bent gelukza­lig, zonder ergens naar te hunkeren en zonder geweeklaag en je ziet dat alle levende wezens spirituele zielen zijn, gelijk aan jezelf. Personen die op het mentale niveau zijn, zullen tegenwerpen dat het dier geen ziel heeft.

© 2014 Bhagavad Gita Seminar