Acintya-bhedabheda: Eenheid…met een verschil

Alle eer aan Tridandisvami Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja! Alle eer aan Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja!

Vervolg vraag gesprek dat plaats vond op 28 juni 1976 met Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja, waarin hij vragen beantwoordt van het Bhavan’s Journal.

Pushta Krishna: DE VOLGENDE VRAAG is zeer interessant, Srila Prabhupada. ‘Is het voor alle soorten spiritualisten — zoals de Advaita-vedantisten [voorstanders van de eenheid van het zelf en God], Dvaita-vedantisten [voorstanders van de filosofie dat het zelf en God volledig verschillen], of Visishtadvaita-vedantisten [voorstanders van de gekwalificeerde eenheid van het zelf en God] — niet mogelijk om samen te komen in plaats van geïsoleerde, strijdende groepen te blijven?’

Srila Prabhupada: Ja. Dat is wat Caitanya Mahaprabhu heeft onderwezen: de Dvaita-vedantisten en Advaita-vedantisten op hetzelfde niveau brengen. Iedereen moet begrijpen dat hij in essentie een dienaar van God is. De Advaita-vedantist denkt ten onrechte dat hij volledig één is met God, dat hij zelf God is. Dat is fout. Hoe kan iemand God worden? God is sad-aisvarya-purnam, in het bezit van zes volheden. Hij bezit alle kracht, alle rijkdom, alle schoonheid, alle roem, alle kennis en alle onthechting. Daarom is het idee van de Advaita-vedantisten een gekunsteld idee — denken dat je één kunt worden met God.

De Dvaita-vedantisten zeggen nadrukkelijk dat men volkomen verschillend is van God, dat God geschei­den is van het levend wezen. Maar uit de Bhagavad-gita begrijpen we dat het levend wezen een klein deel­tje is van God. En in de veda’s staat, nityo nityanam cetanas cetananam: zowel God als Zijn schepsels zijn levende wezens, hoewel God de belangrijkste is. Eko yo bahunam vidadhati kaman: het verschil tussen de twee is dat God alle andere levende wezens in stand ­houdt. Dat is een feit. Wij worden instand gehouden en God is de instandhouder. Wij worden overheerst — we zijn niet onafhankelijk — en God is de overheerser. Maar omdat de overheerste levende wezens deeltjes van God zijn, zijn ze kwalitatief één met God.

Sri Caitanaya Mahaprabhu’s filosofie is acintya-bhedabheda: de levende wezens zijn tegelijkertijd één met en verschillend van de Heer. Het levend wezen is één, omdat het een deeltje is van God. Als God dus van goud zou zijn, dan zou het levend wezen ook van goud zijn. Dat is kwalitatieve eenheid. Maar God is groot en wij zijn nietig. In dat opzicht zijn wij verschillend. Daarom verkondigde Caitanya Mahaprabhu deze filosofie van acintya-bhedabheda: onvoor­stelbaar gelijktijdig één zijn met en verschillend zijn van God. Dat is ware filosofie.

Op het niveau van filosofie kunnen ze, zolang ze redelijk zijn, dus alle­maal samenkomen. Als ze onredelijk blijven door vast te houden aan hun eigen gefabriceerde filosofie, dan zal het moeilijk zijn. Maar het is een feit dat het levend wezen eeuwig één met en verschillend van God is. Zoek dit vers eens op: mamaivamso jiva-loke.

Hari-sauri:

mamaivamso jiva-loke jiva-bhutah sanatanah manah sasthanindriyani prakrti-sthani karsati

`De levende wezens in deze wereld van gebondenheid zijn Mijn eeuwi­ge, afzonderlijke deeltjes. Door hun geconditioneerde bestaan zijn ze ver­wikkeld in een hevige worsteling met de zes zintuigen, waarvan de geest er één is.’ (Bg. 15.7)

Srila Prabhupada: Als het levende wezen dus eeuwig een afzonderlijk deeltje is, hoe kan het dan een wor­den met het geheel? Een deel is nooit gelijk aan het geheel; dat is vanzelf­sprekend. Het is een misvatting om te proberen één te worden met God. De mayavadi ‘sproberen één te wor­den met God, maar dat is onmoge­lijk. Laat ze proberen om goddelijkte worden. Goddelijk betekent ‘dienaar van God’. Zo zullen ze volmaakt worden. Devaishnava-filosofie leert dat we onze natuurlijke positie kun­nen behouden door als een dienaar van God te handelen. Dat is vol­maakt. Maar als de dienaar probeert meester te worden, dan is dat niet natuurlijk.

Natuurlijk lijkt het in de spirituele wereld vaak alsof er geen verschil bestaat tussen de meester en de die­naar. Zo zijn Krishna’s vrienden, de koeherdersjongens, zich er bijvoor­beeld niet van bewust dat Krishna God is. Ze spelen met Hem als gelij­ken. Wanneer Krishna tijdens het spelen wordt verslagen, moet Hij Zijn vriend op de schouders nemen en hem dragen. De vrienden hebben er geen idee van wie God is en wie niet. Dat is een gevorderd stadium van spiritueel inzicht. Natuurlijk bestaat er altijd een verschil tussen God en het deeltje, het levend wezen, maar onder invloed van Gods interne vermogen, wordt die kennis verbor­gen gehouden. We kunnen die positie bereiken na vele, vele levens van vrome activiteiten. Dat staat in het Srimad-Bhagavatam (10.12.11):

ittham satam brahma-sukhanubhutya dasyam gatanam para-daivatena mayasritanam nara-darakena sakam vijahruh krta-punya-punjah

De koeherdersjongens spelen met Krishna. En wie is Krishna? Hij is de essentie vanbrahma-sukha, spiritu­ele gelukzaligheid. Hij is de Param Brahman, de Allerhoogste Ziel. De jongens spelen dus met Param Brahman, hoewel een gewoon mens hem voor een gewoon kind aanliet. Hoe hebben de koeherdersjongens de positie verkregen, waarin ze in staat zijn met Krishna te spelen? Krta-punya-punjah: Na vele, vele levens van vroom handelen, zijn ze op het niveau gekomen waarop ze met Krishna spelen als gelijken.

Dit is het concept van zuivere devo­tionele dienst: wanneer je naar Goloka Vrindavana, Krishna’s woning, gaat, heb je Krishna zo lief, dat je geen verschil ziet tussen de Allerhoogste Heer en Zijn onderge­schikten. De liefde die de inwoners van Krishna’s woning voor Krishna hebben is onwankelbaar. Dat is het leven in Vrindavana. De koeien, de kalveren, de bomen, de bloemen, het water, de oudere mannen, Krishna’s ouders Nanda Maharaja en Yasodamayi — iedereen is zeer gehecht aan Krishna. Krishna is het centrum van ieders leven. Iedereen houdt zo veel van Krishna, dat ze niet weten dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is.

Soms zien de inwoners van Vrindavana Krishna’s wonderbaar­lijke activiteiten en denken: `Krishna moet een of andere halfgod zijn, die hierheen is gekomen.’ Ze herkennen Krishna nooit als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods — en als ze dat wel doen, zorgt Krishna ervoor dat ze dat onmiddel­lijk vergeten. Toen Krishna zo’n vijfduizend jaar geleden Zijn activi­teiten van vermaak op aarde mani­festeerde, belandde Hij in vele gevaarlijke situaties — er kwamen zo veel demonen — en moeder Yasoda zong dan mantra’s om Krishna te beschermen. Ze dacht: ‘Er moet Hem geen ellende overkomen.’ Krishna’s familie en vrienden had­den niet het besef dat Krishna God is. Hun natuurlijke liefde voor Krishna was zo intens.

Daarom is het leven in Vrindavana zo verhe­ven. Zoals Caitanya Mahaprabhu heeft onderwezen, aradhyo bhagavan vrajesa-tanayas tad-dhama vrndavanam: allereerst is Krishna — Vrajendra-nandana, de zoon van Nanda Maharaja — aradhya,vererenswaardig. Vervolgens, tad-dhama vrndavanam: Zijn dhama of woon­plaats, Vrindavana, is net zo vererenswaardig.

Deze feiten hebben betrekking op een hoger niveau van kennis. Alleen een toegewijde begrijpt dat één wor­den met God niet een subliem idee is. In Vrindavana willen de toegewijden de vader of moeder van God worden — God besturen door liefde. Demayavadi’s of de Advaita-vedantisten kunnen dit feit niet begrijpen. Uitsluitend zuivere toegewijden kunnen deze dingen begrijpen. Wat voor nut heeft het om één te worden met God?

Zelfs andere vaishnava-filosofieën kunnen niet uitleggen wat de hoge­re relaties met God zijn, zoals die door Caitanya Mahaprabhu werden uitgelegd. Het zijn vatsalya-rasa[ouderschap], en madhurya-rasa [amoureuze liefde] . Caitanya Mahaprabhu onderwijst vooral dat onze relatie met Krishna er een kan zijn van amoureuze liefde, madhurya-rasa.

Maar voor ons algemeen begrip introduceerde Heer Caitanya de filosofie van acintya-bhedabheda —gelijktijdig één zijn met en ver­schillend zijn van de Heer. Dat wordt door Krishna uiteengezet in de Bhagavad-gita (15.7): mamai-vamso jiva-bhutah — de levende wezens zijn een integrerend deeltje van God. We zijn dus één met God, omdat we de eigenschappen van God in een nietige hoeveelheid bezitten. Maar God is de heer en wij zijn altijd ondergeschikt. Eko bahunam yo vidadhati kaman: wij wor­den beschermd, wij worden onder­houden, wij worden overheerst. Dat is onze positie. Wij kunnen niet de positie van overheerser innemen. Dat is niet mogelijk.

© 2014 Bhagavad Gita Seminar