Beschaving betekent het Volgen van Regels

Alle eer aan Tridandisvami Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja! Alle eer aan Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja!

Vervolg vraag gesprek dat plaats vond op 28 juni 1976 met Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja, waarin hij vragen beantwoordt van het Bhavan’s Journal.

Vraag: ‘Zijn vasten en andere dieetregels noodzakelijk voor een spiritueel leven?’

Srila Prabhupada: Zeker. Zulke tapasya [ascese] is zeer belangrijk als we vooruitgang willen maken in spiritueel leven. Tapasya betekent het vrijwillig aanvaarden van iets dat pijnlijk kan zijn. Zo raden wij bijvoorbeeld aan geen ongeoorloofde seks te hebben, geen verdovende of opwekkende middelen te gebruiken, niet te gokken en geen vlees te eten. Voor degenen die gewend zijn aan deze slechte gewoonten kan het in het begin wat moeilijk zijn, maar ondanks dat moet men het doen. Dat is tapasya. ‘s Ochtends vroeg opstaan —voor degenen die het niet gewend zijn, is het wat pijnlijk, maar het moet gedaan worden. Volgens de vedische geschriften zijn er dus sommige tapasya’s die gedaan moeten worden.

Er is geen sprake van ‘Misschien doe ik het of misschien ook niet.’ Deze ascese moet gedaan worden. Zo geeft de Mundaka Upanisad de opdracht dat iemand die zelfrealisatie wil bereiken een spiritueel leraar moet benaderen: tad-vijn-anartham sa gurum evabhigac-cet. (Mundaka Upanisad 1.2.12) Het is dus niet ‘naar eigen keuze’ — het moet gedaan worden. En men moet de opdrachten van de spiritueel leraar en van de shastra, de heilige teksten, uitvoeren. Als je volgt zonder erbij stil te staan of het goed of slecht uitkomt, gewoon omdat het gedaan moet worden, wordt dat tapasya genoemd. Tapo divyam: net zoals de andere grote spirituele autoriteiten adviseert Rsabhadeva dat dit menselijk bestaan bedoeld is voor ascese die tot Godsrealisatie leidt. Daarom zijn er zo veel regels in onze vedische beschaving.

Aan het begin van het leven moet iemand brahmacari [celibatair student] zijn. Hij moet naar de woning van de spiritueel leraar gaan en dienen. Als de spiritueel leraar zegt: ‘Haal wat hout in het bos’, dan mag de student het bevel van de spiritueel leraar niet weigeren, zelfs al is hij een koningszoon. Hij moet gaan. Zelfs Krishna werd door Zijn spiritueel leraar bevolen droog hout te halen in het bos en moest dus gaan. Ook al was Nanda Maharaja Zijn vader, een vaisya-dorpskoning, en ook al was Krishna de Persoonlijkheid Gods, toch kon Hij niet weigeren. Hij moest gaan. Nicavat — net als een dienaar. Dat is brahmacarya, het studentenbestaan in spiritueel leven. Dit is tapasya. Tapasya is zo belangrijk dat men het moet doen. Er is geen sprake van een alternatief.

Na het brahmacari-leven mag men trouwen. Dit betekent dat men het grhastha-leven ingaat, het leven van een getrouwd persoon. Ook dat is tapasya. Hij mag geen seks hebben wanneer hij wil. Nee. De heilige teksten zeggen: `Seks moet je op de volgende manier beoefenen: één keer per maand en uitsluitend om kinderen te krijgen.’ Ook dat is tapasya. Vandaag de dag volgen mensen geen tapasya meer. Maar het menselijk bestaan is bedoeld voor tapasya — regulerende principes. Zelfs in dagelijkse bezigheden, bijvoorbeeld wanneer je voor belangrijke zaken met je auto ergens naartoe rijdt en een rood stoplicht ziet. Je moet stoppen. Je kunt niet zeggen: ‘Ik moet ergens binnen een paar minuten zijn. Ik moet doorrijden.’ Nee. Je moet stoppen. Dat is tapasya.

Tapasya betekent dus het strikt volgen van regels, in navolging van een hogere opdracht. En dat is het menselijk bestaan.

Het dierenbestaan houdt daarentegen in dat je kunt doen wat je wilt. Op straat kunnen dieren rechts houden, of links; het doet er niet toe. Als ze zich niet aan de regels houden, wordt dat niet als een overtreding gezien, omdat het dieren zijn. Als een mens zich echter niet aan de regulerende principes houdt is hij zondig. Hij zal gestraft worden. Neem hetzelfde voorbeeld. Als het stoplicht op rood staat en je stopt niet, wordt je gestraft. Als een kat of hond echter een overtreding maakt — ‘Vergeet dat rode licht, ik loop door’ — dan wordt hij niet gestraft. Tapasya is dus bedoeld voor mensen. Men moet het doen als men vooruitgang wil maken in zijn leven. Het is essentieel.

Vraag: En tapasya houdt dus ook in voorschriften met betrekking tot voedsel, Srila Prabhupada?

Srila Prabhupada: Ook dat is tapasya. Het eten van vlees verbieden we bijvoorbeeld. In jullie land is dat een beetje lastig. Vanaf het begin van zijn leven raakt een kind er aan gewend vlees te eten. De moeder koopt vlees in poedervorm, mengt het met vloeistof en geeft het aan haar kind. Ik heb het gezien. Bijna iedereen is opgegroeid met het eten van vlees. Toch zeg ik: ‘Eet geen vlees.’ Daarom is het lastig. Als iemand echter serieus zelfrealisatie wil bereiken, moet hij het gebod opvolgen. Dat is tapasya.

Tapasya heeft betrekking op onze eetgewoonten, op ons persoonlijk gedrag, op de manier waarop we met anderen omgaan enzovoort. In ieder onderdeel van het leven is er tapasya. Dat wordt allemaal beschreven in de Bhagavad-gita. Mentale tapasya, lichamelijke tapasya, verbale tapasya — de beheersing van vaco-vegam, de behoefte om zomaar te zeggen waar je zin in hebt. Je kunt niet zomaar onzin uitkramen. Als je praat, moet je over Krishna praten. Dat is tapasya. Er is ook tapasya in verband met krodha-vegam, de behoefte tot het uiten van woede. Als iemand kwaad wordt en hij dit wil uiten door iemand te slaan of iets zeer gewelddadigs te doen, zal tapasya hem daarvan weerhouden. ‘Nee, doe het niet.’ Er is ook tapasya met betrekking tot de tong, de buik en de geslachtsdelen. Je kunt niet zomaar eten wat je wilt en wanneer je dat maar wil. Je kunt evenmin seks hebben wanneer je wil. Dit kan alleen in overeenkomst met de geschriften. ‘Ik heb zin in seks, maar ik mag er niet aan toegeven. Dit is niet het juiste moment.’ Dat is tapasya.

Men moet tapasya dus op alle mogelijke manieren beoefenen — in lichaam, geest, woord, persoonlijk gedrag en in zijn omgang met anderen. Dat is het menselijk bestaan. Tapo divyam: om enkel een mens te zijn — maar vooral als je vooruitgang in spiritueel leven wilt maken —moet je handelen volgens de vedische geschriften. Dat is de betekenis van tapasya. Voordat Brahma aan de schepping kon beginnen, moest hij eerst tapasya ondergaan. Staat dat niet in de shastra? Ja. Daarom is tapasya essentieel. Je kunt er niet omheen.

En wat is het doel van tapasya? Het doel is de Allerhoogste tevreden te stellen via de spiritueel leraar. Yasya prasadad bhagavat-prasado: ‘Men kan de genade van de Heer slechts bereiken door de genade van de spiritueel leraar.’ Dat is het idee.

Wie onderwijst er in de hedendaagse onderwijsinstellingen nog deze tapasya? Waar is die school of dat college? De leerlingen roken zelfs in het bijzin van hun leerkrachten en dat wordt gedoogd. Geen overtreding. Wat kun je nou verwachten van zulke leerlingen? Dit is een samenleving van dieren. Dit is geen menselijke samenleving. Geen tapasya, geen brahmacari-leven. Werkelijke beschaving houdt in: tapo divyam, goddelijke ascese. Deze tapasya begint bij het brahmacari-bestaan, leren de zintuigen te beheersen — dat is het begin van het leven. Niet `ABC’-kennis en een karakter dat misschien nog lager is dan dat van een dier. Maar je hebt een universitaire graad… ‘Het maakt niet uit, want je bent een geleerd man.’ Nee, dat is onaanvaardbaar.
Zelfs vanuit het oogpunt van eenvoudig moreel onderricht moeten we ons afvragen: ‘Wie is er vandaag de dag geleerd?’ Canakya Pandita beschrijft een geleerd persoon als volgt:

matr-vat para-daresu / para-dravyesu lostra-vat
atma-vat sarva-bhutesu / yah pasyati sa panditah

`Een geleerd man ziet andermans vrouw als zijn moeder en andermans eigendom als onrein vuil. Hij ziet alle anderen als gelijk aan zichzelf.’ Dat is de pandita, de geleerde.

In de Bhagavad-gita (5.18) beschrijft Krishna de pandita:
vidya-vinaya-sampanne / brahmane gavi hastini suni caiva sva-pake ca / panditah sama-darsinah

`Omdat ze werkelijke kennis hebben, beschouwen de nederige wijzen een geleerde, eerbiedwaardige brahmana, een koe, een olifant, een hond en een hondeneter [kasteloze] als gelijk.’
Dat is een geleerd man. Niet iemand met een diploma. Van iemand met een diploma maar zonder tapasya of karakter, zegt Krishna dat hij mayayapahrta-jnana is: `Zijn kennis is gestolen door illusie.’ Hoewel hij zo veel heeft geleerd, heeft maya zijn kennis toch weggenomen. Hij is een dwaas. Hij is een dier. Dat is het standpunt van de vedische beschaving.

© 2014 Bhagavad Gita Seminar