Bhagavad Gita Hoofdstuk 1 vers 39 t/m 43: Het resultaat van goddeloosheid in de familie

Bhagavad Gita 1.39

kula-kṣaye praṇaśyanti, kula-dharmāḥ sanātanāḥ
dharme naṣṭe kulaṁ kṛtsnam, adharmo ’bhibhavaty uta

Vertaling:
Door de vernietiging van de dynastie zal de eeuwige familietraditie verloren gaan, waardoor de rest van de familie in goddeloosheid vervalt.

Commentaar:
Het varṇāśrama-stelsel kent veel principes van religieuze tradities die de leden van een familie helpen om op de juiste manier op te groeien en tot spirituele waarden te komen. De oudere familieleden zijn verantwoordelijk voor zulke zuiverende processen in de familie, van geboorte tot dood. Maar door de dood van de oudere familieleden zou er aan zulke familietradities van zuivering een eind kunnen komen, waardoor de jongere familieleden die achterblijven, irreligieuze gewoonten zullen ontwikkelen en hun kans op spirituele verlossing verliezen. De oudere familieleden mogen dus onder geen enkele voorwaarde worden gedood.

Bhagavad Gita 1.40

adharmābhibhavāt kṛṣṇa, praduṣyanti kula-striyaḥ
strīṣu duṣṭāsu vārṣṇeya, jāyate varṇa-saṅkaraḥ

Vertaling:
Wanneer goddeloosheid in de familie de overhand heeft, o Kṛṣṇa, vervallen de vrouwen van de familie in losbandigheid en het gevolg van de verdorvenheid van vrouwen, o afstammeling van Vṛṣṇi, is onwenselijk nageslacht.

Commentaar:
Een goede bevolking in de menselijke samenleving is het basisprincipe van vrede, voorspoed en spirituele vooruitgang in het leven. De principes van de religie van varṇāśrama waren zo ontworpen, dat een goede bevolking de overhand zou hebben voor de spirituele vooruitgang van de staat en de hele gemeenschap. Zo’n bevolking hangt af van de kuisheid en trouw van het vrouwelijk geslacht. Net zoals kinderen zeer vatbaar zijn voor misleiding, zo zijn vrouwen ook zeer vatbaar voor ontaarding. Zowel kinderen als vrouwen hebben daarom bescherming nodig van oudere familieleden. Door bezig te zijn met verschillende religieuze praktijken, zullen vrouwen niet tot overspel worden verleid. Volgens Cāṇakya Paṇḍita zijn vrouwen over het algemeen niet erg intelligent en daarom onbetrouwbaar. De verschillende familietradities moeten hen daarom altijd bezighouden, zodat ze door hun kuisheid en devotie geboorte zullen geven aan een goede bevolking, die geschikt is om te functioneren binnen het varṇāśrama-stelsel. Wanneer dit varṇāśrama-dharma faalt, zullen de vrouwen vanzelfsprekend vrij zijn in hun activiteiten en hun omgang met mannen en op die manier zullen ze zich aan overspel overgeven, waardoor een risico op onwenselijk nageslacht ontstaat. Ook mannen zonder verantwoordelijkheidsgevoel veroorzaken overspel in de samenleving en op die manier overspoelen onwenselijke kinderen het menselijk ras met het gevaar van oorlog en ziekten.

Bhagavad Gita 1.41

saṅkaro narakāyaiva, kula-ghnānāṁ kulasya ca
patanti pitaro hy eṣāṁ, lupta-piṇḍodaka-kriyāḥ

Vertaling:
Een toename van onwenselijke bevolking veroorzaakt ongetwijfeld een hels bestaan voor zowel de familie als voor zij die de familietraditie vernietigen. De voorouders van zulke verdorven families komen ten val, omdat de rituelen waarbij aan hen voedsel en water wordt geofferd, volledig worden gestaakt.

Commentaar:
Volgens de regels en bepalingen van resultaatgerichte activiteiten bestaat er de noodzaak om regelmatig voedsel en water aan de voorouders van de familie te offeren. Dit offer wordt volbracht door Viṣṇu te vereren, omdat wie eet van wat Viṣṇu van het offer overlaat, bevrijd raakt van allerlei reacties op zonden. De voorouders hebben soms te lijden van verschillende karmische reacties op zonden en het komt voor dat sommigen van hen niet eens een grofstoffelijk lichaam kunnen krijgen en zo gedwongen zijn om als geesten voort te leven in een fijnstoffelijk lichaam. Wanneer hun nakomelingen hun datgene offeren wat van het prasāda-voedsel overblijft, dan worden deze voorouders bevrijd van hun bestaan als geesten of van hun bestaan in andere ellendige levenssoorten. Zulke hulp aan voorouders is een familietraditie en zij die geen leven van devotie leiden moeten zulke rituelen verrichten. Wie wel een leven van devotie leidt, hoeft zulke activiteiten niet te verrichten. Door eenvoudigweg bezig te zijn met devotionele dienst, kan men honderden en duizenden voorouders van allerlei ellende bevrijden. In het Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.41) staat:

devarṣi-bhūtāpta-nṛṇāṁ pitṝṇāṁ, na kiṅkaro nāyam ṛṇī ca rājan
sarvātmanā yaḥ śaraṇaṁ śaraṇyaṁ, gato mukundaṁ parihṛtya kartam

‘Iedereen die allerlei verplichtingen heeft opgegeven en zijn toevlucht heeft gezocht bij de lotusvoeten van Mukunda, de gever van bevrijding, heeft, als hij dit pad in alle ernst volgt, geen plichten meer te vervullen en is de halfgoden, de wijzen, de levende wezens in het algemeen, de familieleden, de mensheid of de voorouders niets verschuldigd.’ Aan zulke verplichtingen wordt vanzelf voldaan door devotionele dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.

Bhagavad Gita 1.42

doṣair etaiḥ kula-ghnānāṁ, varṇa-saṅkara-kārakaiḥ
utsādyante jāti-dharmāḥ, kula-dharmāś ca śāśvatāḥ

Vertaling:
Door de wandaden van hen die de familietraditie vernietigen en die zo de oorzaak zijn van onwenselijke kinderen, worden allerlei gemeenschapsverplichtingen en activiteiten voor het welzijn van de familie tenietgedaan.

Commentaar:
De verantwoordelijkheden die de vier klassen van de menselijke samenleving hebben ten opzichte van de gemeenschap, in combinatie met activiteiten voor het welzijn van de familie zoals die uiteengezet zijn binnen het sanātana-dharma of varṇāśrama-dharma, zijn ontworpen om het menselijk wezen in staat te stellen zijn uiteindelijke verlossing te bereiken. Het verbreken van de traditie van het sanātana-dharma door de onverantwoordelijke leiders van de samenleving brengt daarom een chaos teweeg in die samenleving en als gevolg daarvan vergeten de mensen wat het doel van het leven is: Viṣṇu. Zulke leiders worden als blind beschouwd en personen die hen volgen kunnen er zeker van zijn dat ze naar een chaos worden geleid.

Bhagavad Gita 1.43

utsanna-kula-dharmāṇāṁ, manuṣyāṇāṁ janārdana
narake niyataṁ vāso, bhavatīty anuśuśruma

Vertaling:
O Kṛṣṇa, instandhouder van de mensheid, via de opeenvolging van discipelen heb ik gehoord dat degenen van wie de familietradities vernietigd zijn, voor altijd in de hel verblijven.

Commentaar:
Arjuna baseert zijn argument niet op zijn eigen ervaring, maar op wat hij van gezaghebbende personen gehoord heeft. Dat is de manier om werkelijke kennis te ontvangen. Men kan niet tot ware kennis komen zonder geholpen te worden door de juiste persoon die al verankerd is in die kennis. Binnen de varṇāśrama-dharma-samenleving bestaat er een systeem waarbij men, voordat men sterft, een proces van boetedoening moet ondergaan voor alle begane zondige activiteiten. Wie zich altijd bezighoudt met zondige activiteiten, moet gebruik maken van dit proces van boetedoening, dat prāyaścitta genoemd wordt. Doet men dat niet, dan zal men zeker naar de helse planeten worden overgebracht om daar als gevolg van zondige activiteiten een reeks van ellendige levens te leiden.

© 2014 Bhagavad Gita Seminar