Onze eeuwige vijand LUST

Bhagavad Gita Hoofdstuk 3 vers 39:

avrtam jnanam etena
jnanino nitya-vairina kama-rupena kaunteya
duspurenanalena ca

kaunteya—O Arjuna; jnanam—onderscheidingsvermogen; jnaninah—van de wijze (atma); (is) avrtam—bedekt; etena nitya-vairina—door deze eeuwige vijand; kama-rupena—in de vorm van lust; ca—ook; duspurena—nooit verzadigd rakend; analena—zoals vuur.

Vertaling Bhagavad Gita door Tridandisvami B.V. Narayana Gosvami Maharaja:
O Kaunteya, de ware kennis van de wijze wordt bedekt door de eeuwige vijand in de vorm van kama (lust), welke brandt als vuur en nooit verzadigd kan raken.

Sarartha-varsini

Kama is voorwaar onwetendheid voor alle jiva’s, zoals Sri Bhagavan hier uitlegt in dezesloka beginnende met avrtam. Dit verlangen om van de zinsobjecten te genieten wordt beschreven als de eeuwige vijand; daarom dient het alleszins vernietigd te worden. Kama-rupa betekent in de vorm van kama. Het is echt onwetendheid welke de ware aard van dejiva omhult. Het woord ca is hier gebruikt met de betekenis ‘zoals’. Net zoals vuur niet verzadigd kan raken door er ghi op te gieten, zo ook kan kama niet vervult raken door van de zinsobjecten te genieten.

In Srimad-Bhagavatam
(9.19.14) wordt gezegd:

na jatu kamah kamanam  upabhogena samyati
havisa krsna-vartmeva bhuya evabhivardhate

Vuur raakt niet verzadigd door ghi, integendeel, het breidt zich alleen maar uit. Evenzo neemt de zucht naar zinsgenot door van de zinsobjecten te genieten meer en meer toe. Het bedaart niet.

Sarartha-varsini Prakasika-vrtt Kama is de grondoorzaak van verdriet en leed, en het wordt vergeleken met vuur.

kamanalam madhu-lavaih samayan durapaih

Srimad-Bhagavatam 7.9.25

Kama kan nooit tevreden worden gesteld door van de zinsobjecten te genieten. Het is als een vuur dat niet gedoofd kan worden door druppels honing in de vorm van vluchtige voldoening.

evam grhesv abhirato  visayan vividhaih sukhaih
sevamano na catusyad  ajya-stokair ivanalah

Srimad-Bhagavatam 7.9.25

De wijze Saubhari Muni was niet in staat om vrede te bereiken door overvloedig van zinsobjecten te genieten, net zoals vuur niet gekalmeerd wordt wanneer er druppels ghi in worden gegoten.

sevato varsa-pugan me urvasya adharasavam
na trpyaty atma-bhuh kamo  vahnir ahutibhir yatha

Srimad-Bhagavatam 11.26.14

Zelfs nadat ik de zogenaamde nectar van de lippen van Urvasi voor vele jaren gediend had, bleven mijn wellustige verlangens steeds weer opwellen binnenin mijn hart en raakten nooit voldaan, net zoals een vuur dat nooit gedoofd kan worden door de offerandes van ghi die op zijn vlammen worden gegoten.

Srila Bhaktivinoda Thakura citeert Krsna die zegt, “Deze kama is voorwaar avidya voor dejiva’s en het is hun enige eeuwige vijand. Het omhult de bewuste jiva’s als een onweerstaanbaar vuur. Net zoals Ik, Sri Bhagavan, een bewust wezen ben, is ook de jivaeen bewust wezen. Het verschil tussen Mijn aard en die van de jiva is dat Ik oneindig bewust en almachtig ben, daar waar de jiva atomisch bewust is en alleen kan handelen door de energie gegeven door Mij. De nitya-dharma, eeuwige functie, van de jiva is om Mijn eeuwige dienaar te zijn. Dit wordt prema of niskama-jaiva-dharma genoemd, de eeuwige functie van de jiva wiens motivatie onvermengd is. Ieder bewust wezen is van nature begiftigd met vrije wil, dus is hij Mijn eeuwige dienaar uit zijn eigen vrije wil. Naar gelang de mate waarmee hij zijn vrije wil correct gebruikt, kan hij als Mijn eeuwige dienaar fungeren. Het misbruik van die zuivere vrije wil wordt avidya of kama genoemd. De jiva’sdie Mij niet dienen door op de juiste wijze gebruik te maken van hun vrije wil, zullen kamamoeten aanvaarden, een genietend gemoed, wat de geperverteerde vorm is van de zuivere toestand van de jiva’s, prema. Hun svarupa wordt acchadita-cetana (bedekt bewustzijn) daar ze steeds meer bedekt raken door kama. Dit wordt karma-bandhanagenoemd, de gebondenheid van de jiva, of samsara-yatana, de pijnen van geboorte en dood.”

Uitleg betekenis Bhagavad Gita door Sri Srimad B.V Swami Maharaja:
In de Manu-smrti wordt gezegd dat lust niet bevredigd kan worden, al verschaft men haar nog zo veel zingenot, zoals vuur nooit kan doven als men het voortdurend van brandstof voorziet. In de stoffelijke wereld draait alles om seks en zo wordt deze wereld maithunya-agara genoemd, de gevangenis der seksualiteit. In een gewone gevangenis worden misdadigers achter slot en grendel gezet; op dezelfde manier worden misdadigers die de wetten van de Heer overtreden geketend door seksualiteit. Door een stoffelijk bestaan op basis van zinsbevrediging te bevorderen, verlengt het levend wezen de duur van zijn gevangenschap. Daarom is deze lust het symbool van de onwetendheid waardoor het levend wezen in de stoffelijke wereld wordt vastgehouden. Het kan zijn dat men een zeker geluksgevoel ervaart wanneer men zijn zinnen bevredigt, maar dit zogenaamde geluk is in diepste zin de ergste vijand van de levensgenieter.

© 2014 Bhagavad Gita Seminar