De Bhagavad-gita (Het lied van God) is niet alleen een van de grootste spirituele en filosofische klassiekers ter wereld, maar ook de essentie van de vedische wijsheid van India over het spirituele wezen van de mens, zijn gebondenheid in de cyclus van geboorte en dood, en uiteindelijk zijn relatie met God. In deze dialoog van zevenhonderd verzen onderwijst Sri Krsna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die kennis aan Arjuna, Zijn vriend en toegewijde. Maar hoewel hun gesprek plaatsvond in een ander tijdperk en te midden van vijandige legers op het slagveld van Kuruksetra, richt Sri Krsna Zijn boodschap tot alle tijden en mensen. In tegenstelling tot andere versies van de Bhagavad-gita brengt deze editie van Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada de diepzinnige boodschap van Sri Krsna over zoals ze is. Met meer dan vijftig miljoen gedrukte exemplaren in meer dan vijftig talen is de Bhagavad-gita zoals ze is de meest gelezen editie van de Gita ter wereld.

Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada vertegenwoordigt Sri Krsna in een ononderbroken lijn van zelfgerealiseerde spiritueel leraren.

Komt mij persoonlijk enige verdienste toe, dan alleen omdat ik geprobeerd heb de Bhagavad-gita te presenteren zoals ze is, onvervalst

De Bhagavad-gita is het betekenisvolle authentieke werk dat ruim 5000 jaar geleden opgetekend werd en de essentie weergeeft van de Veda’s, de heilige Sanskrietteksten, de oorspronkelijke kennis van de mensheid. Maar weinig teksten blijven door de millennia heen in levendige herinnering. Het zegt iets over het belang van de Gita. Wat de Bhagavad-gita zoals ze is onderscheidt van alle andere Gita-vertalingen, is dat ze de kennis onveranderd doorgeeft via een opeenvolging van authentieke leraren. Dit is de methode voor een juist begrip die de Gita zelf voorschrijft (Bg. 4.34). Het is deze manier van ongekleurd lezen die de Gita verheft boven “gewoon een mooi verhaal”, waaruit ieder naar believen (zijn eigen) interessante lessen kan halen, al naargelang het “goed aanvoelt”.

Als de Gita met dit gepaste respect wordt benaderd, is ze een gezaghebbend werk dat in staat is de pijn van onwetendheid weg te nemen. De therapie werkt als de lezer waarheidlievend is en zijn vertrouwen aan de authenticiteit en de heiligheid van het boek geeft. De Gita begint met de dramatische scene waarin de heldhaftige krijger Arjuna volkomen van streek is door de complexiteiten van zijn leven. Wanneer hij tot de conclusie komt dat hij er alleen niet uitkomt, aanvaardt hij Krishna als zijn geestelijk leraar. In de eerste hoofdstukken geeft Krishna een inleiding op de verschillende paden van zelfverwerkelijking en legt Hij uit hoe het lichaam verschilt van de ziel. De geest is het centrum van alle gedachten, en wie de geest en daarmee de zintuigen leert beheersen in plaats van erdoor te worden beheerst, is een yogi. De meest verhevene van alle yoga methoden is bhakti-yoga, ofwel liefdevolle dienst aan de Allerhoogste Genieter. Het levend wezen is volmaakt gelukkig in deze natuurlijke positie, in dienst verbonden met zijn energiebron, zoals een vis in het water. Inderdaad, iemand die Krishna kent en aanvaardt als de Allerhoogste eigenaar en genieter en als de beste vriend van alle levende wezens, is altijd voldaan in zichzelf, omdat hij tot het hoogste begrip van geluk is gekomen. Hij begrijpt dat Krishna ook de eigenaar van zijn zintuigen is en werkt daarom voor de voldoening van Zijn zintuigen. En als deeltje van die Allerhoogste Genieter is het levend wezen zo zelf ook helemaal voldaan, zoals alle delen van een een boom gevoed worden als we water gieten op de wortels. Onthechting van de resultaten van onze handelingen, wetend dat Krishna ons tot elke handeling in staat heeft gesteld en ervan de Genieter is, is een essentiële levensrealisatie die de hoogste vorm van vrede teweegbrengt. Krishna spoort ons opnieuw en opnieuw aan ons leven in dienst van Hem te stellen omdat we daarmee volmaakte harmonie bereiken. De Gita heeft de tand des tijds doorstaan, omdat het verhaal van alle tijden is. Iedereen raakt wel eens verzeild in een verbijsterende levenssituatie.

Als we in zo’n geval het vertrouwen in onze eigen denk-constructies opgeven, toont Krishna ons de uitweg. Na zijn overgave aan Krishna was Arjuna niet enkel van zijn depressie af, maar stonden de haren hem te berge van extase. Dat is het effect van de Bhagavad-gita. Gewapend met kennis kijken we anders tegen de realiteit van ons leven aan. We zien de zaken dan in het juiste licht en dat bespaart ons onnoemelijk veel leed, voortvloeiend uit gedachtespinsels van een onbeheerste geest. Met een onbeheerste geest beangstigen ons zaken die er niet zijn, en wat er wel is, zien we niet, verblind als we zijn door angst en onrust. Overal waar de Gita wordt bestudeerd, daar behaalt moraliteit de overwinning en zal er altijd voorspoed en overvloed zijn. En dit is Krishna’s opinie (Bg. 18.78).

Wanneer twijfels me achtervolgen, wanneer teleurstellingen me in het gezicht staren en ik geen enkele glimp van hoop zie, dan wend ik mij tot de Bhagavad-gita en vind ik een vers dat me troost bied; te midden van de meest tragische omstandigheden kan ik dan weer lachen. Degenen die op de Gita mediteren zullen er iedere dag weer nieuwe vreugde aan beleven en er nieuwe betekenissen in vinden.Mahatma Gandhi

Een vriend van mij en ikzelf hebben een indrukwekkende dag beleefd aan de Bhagavad-gita. Het was het belangrijkste boek. Het was alsof er een wereldrijk tot ons sprak, niet iets gerings of onwaardigs, maar eerder iets groots, sereen en samenhangend, de stem van een oude intelligentie die in een ander tijdperk met een ander karakter over dezelfde vragen had nagedacht die ook ons bezighouden en die daarop antwoorden gevonden had.Ralph Waldo Emerson

"Wanneer ik de Bhagavad-gita lees, is de enige vraag die overblijft hoe God het universum heeft geschapen. Al het andere lijkt overbodig.Albert Einstein


 

Bhagavad Gita Hoofdstuk 16 vers 23

Yah sastra vidhim utsrjya
vartate kama-karatah
na sa siddhim avapnoti
na sukham na param gatim

Maar hij die de geboden der Schriften verwerpt en zich gedraagt zoals het hem uitkomt, bereikt noch volmaaktheid, noch geluk, noch het hoogste doel.

Zoals reeds eerder beschreven zijn er sastra-vidhim, of aanwijzingen van de sastra,gegeven aan de verschillende kasten en orden der menselijke sa­menleving. Van een ieder wordt verwacht dat hij zich aan deze regels en bepalingen houdt. Laat men ze links liggen en laat men zich leiden door lust, woede en begeerte, dan zal men zijn leven nooit kunnen vervolmaken. Met andere woorden: als men theoretisch van deze bepalingen op de hoogte is, maar ze niet in zijn eigen leven toepast, gaat men door voor de laagste der mensheid. Wanneer een levend wezen zich in de menselijke levensvorm be­vindt, wordt ervan verwacht dat het zich verstandig gedraagt en zich aan de bepalingen houdt die het ontvangt om zich in zijn leven tot het hoogste peil te verheffen; houdt het zich er niet aan, dan verlaagt het zich. Maar zelfs al houdt het zich aan de regels en bepalingen en zedelijke beginselen, doch komt het uiteindelijk niet tot inzicht aangaande de Opperheer, dan raakt al zijn kennis verdorven. Derhalve dient men zich geleidelijk te verheffen tot het niveau van Krsna-bewustzijn en toegewijde dienst; alleen op deze wijze kan men tot de hoogste volmaaktheid komen – anders niet.

Het woord kama-karatah! – is zeer belangrijk. Wie de regels kent, maar ze overtreedt, handelt in lust. Wie weet dat iets verboden is, maar het toch doet, handelt zoals het hem uitkomt. Hij weet dat het niet mag, maar toch doet hij het. Dit soort gedrag wordt eigendunkelijk genoemd. Wie zich hier­aan schuldig maakt zal door de Opperheer worden verdoemd. Zo iemand kan niet tot de volmaaktheid komen die voor het mensenleven is weggelegd. Het mensenleven is speciaal bedoeld om ons bestaan te louteren, en wie zich niet aan de regels en bepalingen houdt, kan zich noch louteren, noch het werkelijke niveau van het geluk bereiken.

Bhagavad Gita Hoofdstuk 16 vers 24

tasmac chastram pramanam te
karyakarya vyavasthitau
jnatva sastra vidhanoktam
karma kartum iharhasi

Een ieder dient aan de hand van de regelen der Schrift in te zien wat wél en wat niet zijn plicht is. Kent men deze regels en bepalingen, dan dient men ernaar te handelen, zodat men geleidelijk verheven kan worden.

Zoals verklaard in Hoofdstuk Vijftien, hebben alle regels en bepalingen van de Veda’s tot doel dat we er Krsna door leren kennen. Doorgrondt men Krsna dankzij de Bhagavad-gita en raakt men verankerd in Krsna-bewustzijn, waarbij men zich in toegewijde dienst verbindt, dan heeft men de hoogste volmaaktheid der kennis bereikt welke ons door de Vedische literatuur geboden wordt. Heer Caitanya heeft deze methode bijzonder vergemakkelijkt: Hij vroeg ons gewoon Hare Krsna, Hare Krsna, Krsna Krsna, Hare Hare / Hare Rama, Hare Rama, Rama Rama, Hare Hare te chanten en de Heer toegewijd te dienen en ons te voeden met het aan de murti geofferde voedsel. Iemand die zich rechtstreeks met al deze toegewijde activiteiten bezighoudt wordt geacht de gehele Vedische literatuur begrepen te hebben. Hij heeft op volmaakte wijze de slotsom der Veda’s bereikt. Voor de gewone mensen die zich niet in Krsna-bewustzijn bevinden en geen toegewijde dienst verrichten dient uiteraard door de voorschriften van de Veda’s te worden uitgemaakt wat ze wél en niet moeten doen. Men dient zonder meer volgens de Veda’s te handelen. Dit wordt het volgen van de beginselen van de sastra of van de Schrift genoemd. De sastra is vrij van de vier voornaamste gebreken die men bij de geconditioneerde ziel kan bespeuren: onvolmaakte zintuigen, de neiging tot bedriegen, de zekerheid dat men vergissingen begaat en de zekerheid dat men zich in illusie bevindt. Deze vier voornaamste gebreken van het geconditioneerde leven maken dat men vanuit zijn geconditioneerde staat zelf geen regels en bepalingen kan opstellen. De regels en bepalingen zoals aangegeven in de sastra’s – die boven alle gebreken verheven zijn – worden dan ook onverkort aanvaard door alle heiligen, acarya’s en grote zielen.

In India zijn er veel groeperingen met verschillende geestelijke opvattingen, welke doorgaans in twee categorieën worden ondergebracht: de impersonalisten en de personalisten. Beide groepen echter leven volgens de beginselen van de Veda’s. Zonder zich aan de schriftuurlijke beginselen te houden kan men zich niet verheffen tot het peil der volmaaktheid. Wie dus werkelijk beseft wat het doel van de sastra’s is wordt geacht geluk te hebben.

In de menselijke samenleving is afkeer van de beginselen die men volgen moet om de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te kunnen begrijpen de oorzaak van iedere val. Deze afkeer wordt als de grootste overtreding beschouwd die een mens kan begaan. Daarom bezorgt maya, de materiële energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, ons voortdurend moeilijkheden in de vorm van de drievoudige ellende. Deze stoffelijke energie wordt gevormd door de drieërlei aard der materiële natuur.-Men dient zich minstens tot de geaardheid goedheid te verheffen eer men de weg naar een juist begrip aangaande de Opperheer kan betreden. Verheft men zich niet tot het peil van de geaardheid goedheid, dan blijft men hangen in onwetendheid en hartstocht, die de oorzaken van het demonisch leven zijn. Degenen die zich in onwetendheid en hartstocht bevinden spotten met de Schriften, met de heilige toegewijde en met de eerbied voor de geestelijk leraar, en laten de regels en bepalingen van de Schriften links liggen. In plaats van te luisteren naar de heerlijkheden van de toegewijde dienst, voelen ze zich er niet toe aangetrokken. Vandaar dat ze zelf wegen bedenken waarlangs ze zich willen verheffen. Dit zijn enkele tekortkomingen van de menselijke samenleving, die tot het demonische bestaansniveau leiden. Kan men echter leiding ontvangen van een ware en bona fide geestelijk leraar, die ons kan voorgaan op de weg naar het hogere bestaan, dan wordt ons leven met succes bekroond.


Bhagavad Gita Hoofdstuk 2 vers 12: Ben ik het lichaam of een ziel?

na tv evaham jatu nasam / na tvam neme janadhipah
na caiva na bhavisyamah / sarve vayam atah param

tu eva—zeer zeker; na—nooit; jatu—op enig moment; aham na asam—bestond Ik niet; na—noch; tvam—jij; na—noch; ca—ook; ime—deze; jana-adhipah—koningen;
na—noch; atah param—in de toekomst; sarve vayam—wij allemaal; eva—zeker; na bhavisyamah—zullen niet bestaan.

Nooit was er een tijd wanneer Ik niet bestond, noch jij, noch al deze koningen; noch zal er in de toekomst iemand van ons ophouden te bestaan.

Sarartha-Varsini

Krsna stelt de vraag, “O Mijn vriend, Arjuna, wanneer iemand rouwt om de dood van een dierbaar persoon, wat is dan het object van zijn liefde, het lichaam of de atma?” In Srimad-Bhagavatam (10.14.50) wordt gezegd:

sarvesam api bhutanam / nrpa svatmaiva vallabhah

“O koning, voor alle jiva’s is de atma zeker het meest dierbaar.” Volgens deze verklaring van Sri Sukadeva Gosvami is het de atma die het enige voorwerp van liefde is. Hoewel er een verschil is tussen Isvara en de jiva, zijn beide soorten atma eeuwig en vrij van dood. Dus is het niet de atma die het voorwerp van rouw is. Alleen om deze reden spreekt Sri Krsna deze sloka beginnend met na tv evaham. “Het is niet waar dat Ik, Paramatma, in het verleden niet bestond. Ik bestond zeker wel. Evenzo bestond jij, de jiva, ook in het verleden, net als de jiva’s die al deze koningen zijn. De mogelijkheid van het niet bestaan van de ziel voorafgaand aan zijn bestaan in zijn huidige lichaam wordt door deze verklaring weerlegd. Evenzo is het ook niet waar dat jij, deze koningen en Ik, niet zullen blijven bestaan in de toekomst. We zullen allemaal blijven bestaan.” Zo is het bewezen dat de ziel onverwoestbaar is. In dit verband verklaart de Katha Upanisad
(2.2.13): nityo nityanam cetanas cetananam / eko bahunam yo vivadhati kaman. “Hij die de allerhoogste eeuwige is onder alle eeuwige wezens, het allerhoogste bewuste wezen onder alle bewuste wezens, vervult de verlangens van alle levende wezens.”

Sarartha-Varsini
Prakasika-vrtti

Het contact van de jiva met het stoffelijke lichaam wordt geboorte genoemd, en verwijdering ervan wordt dood genoemd. Wanneer de jiva in het stoffelijk lichaam is geplaatst, hebben mensen liefdevolle omgang met elkaar. Maar die onwetende personen, die het stoffelijke lichaam voor de atma aanzien, beseffen niet dat het ware zelf niet materieel is, en dus gaan ze op in rouw wanneer een jiva uit een lichaam verdwijnt.

In Srimad-Bhagavatam vroeg Srila Sukadeva Gosvami aan Pariksit Maharaja, “Obrahmana, Sri Krsna was niet voortgekomen uit dezelfde ouders als die van de andere koeherdersjongens. Hoe was het mogelijk voor die ouders om zulke ongeevenaardeprema voor Hem te hebben, die ze niet eens voor hun eigen kinderen hadden?” In antwoord hierop zegt Srila Sukadeva Gosvami, “O koning, voor alle levende wezens is diens eigen zelf (atma) het meest dierbaar. Hoewel wezens en dingen die afgezonderd zijn van iemands zelf zoals een zoon, rijkdom, huis en andere voorwerpen dierbaar zijn aan het zelf, zijn ze niet zo dierbaar als het zelf op zich. Het is secundair aan de genegenheid die men heeft voor diens eigen zelf. O Koning, de genegenheid die een belichaamde ziel heeft voor datgene waarvoor hij bezittelijkheid voelt, zoals een zoon, rijkdom en huis, is het niet hetzelfde als de genegenheid die hij voelt voor zijn eigen zelf.” Met andere woorden, er is een verschil tussen ‘ik’ en ‘mijn’. De hoeveelheid priti(genegenheid) die men heeft voor voorwerpen die men in bezit heeft staat niet gelijk aan de priti die men heeft voor diens eigen zelf. Degenen die het lichaam voor het zelf aanzien vinden niet dat de dingen die gerelateerd zijn aan het lichaam, zoals een huis, een vrouw, of een zoon zo dierbaar zijn tot hun als hun eigen lichaam. En hoewel het lichaam van een persoon het object is van zijn genegenheid, is het niet zo dierbaar tot hem als het zelf, want zodra het lichaam oud wordt, blijft het verlangen om te overleven nog steeds sterk. Dit komt door de buitensporige gehechtheid die men heeft voor het zelf. Omdat Sri Krsna het juiste Zelf van het zelf is, is Hij het meest dierbare object (priyatma) voor iedere atma. De wereld, die in verband staat met Krsna, is ook dierbaar, maar niet het meest dierbaar. En datgene dat gerelateerd is aan Krsna, zoals het universum, is het object van het woord ‘mijn’. Dat is waarom Krsna zo dierbaar is aan de koeherdersjongens.

De bovenstaande verklaringen worden ook bevestigd door het gesprek tussen Yajnavalkya en Maitreyi in Brhad-aranyaka Upanisad (2.4.5), waar wordt gezegd:

sa hovaca na va are patyuh kamaya priyo

bhavaty atmans tu kamaya patih priyo bhavati na

va are sarvasya kamaya sarvam priyam

bhavaty atmanas tu kamaya sarvam priyam bhavati

De grote wijze Yajnavalkya zei tegen Maitreyi, “Geen levend wezen houdt van een ander ten behoeve van de genoegdoening van een ander. Alleen voor eigen genoegdoening houdt de man van zijn vrouw, de vrouw van haar man, de vader van zijn zoon, en de zoon van zijn vader. Een persoon is niet dierbaar voor de genoegdoening van iemand anders, maar voor het geluk en de genoegdoening van diens eigen zelf (atma).”


Bhagavad Gita Hoofdstuk 1 vers 39 t/m 43: Het resultaat van goddeloosheid in de familie

Bhagavad Gita 1.39

kula-kṣaye praṇaśyanti, kula-dharmāḥ sanātanāḥ
dharme naṣṭe kulaṁ kṛtsnam, adharmo ’bhibhavaty uta

Vertaling:
Door de vernietiging van de dynastie zal de eeuwige familietraditie verloren gaan, waardoor de rest van de familie in goddeloosheid vervalt.

Commentaar:
Het varṇāśrama-stelsel kent veel principes van religieuze tradities die de leden van een familie helpen om op de juiste manier op te groeien en tot spirituele waarden te komen. De oudere familieleden zijn verantwoordelijk voor zulke zuiverende processen in de familie, van geboorte tot dood. Maar door de dood van de oudere familieleden zou er aan zulke familietradities van zuivering een eind kunnen komen, waardoor de jongere familieleden die achterblijven, irreligieuze gewoonten zullen ontwikkelen en hun kans op spirituele verlossing verliezen. De oudere familieleden mogen dus onder geen enkele voorwaarde worden gedood.

Bhagavad Gita 1.40

adharmābhibhavāt kṛṣṇa, praduṣyanti kula-striyaḥ
strīṣu duṣṭāsu vārṣṇeya, jāyate varṇa-saṅkaraḥ

Vertaling:
Wanneer goddeloosheid in de familie de overhand heeft, o Kṛṣṇa, vervallen de vrouwen van de familie in losbandigheid en het gevolg van de verdorvenheid van vrouwen, o afstammeling van Vṛṣṇi, is onwenselijk nageslacht.

Commentaar:
Een goede bevolking in de menselijke samenleving is het basisprincipe van vrede, voorspoed en spirituele vooruitgang in het leven. De principes van de religie van varṇāśrama waren zo ontworpen, dat een goede bevolking de overhand zou hebben voor de spirituele vooruitgang van de staat en de hele gemeenschap. Zo’n bevolking hangt af van de kuisheid en trouw van het vrouwelijk geslacht. Net zoals kinderen zeer vatbaar zijn voor misleiding, zo zijn vrouwen ook zeer vatbaar voor ontaarding. Zowel kinderen als vrouwen hebben daarom bescherming nodig van oudere familieleden. Door bezig te zijn met verschillende religieuze praktijken, zullen vrouwen niet tot overspel worden verleid. Volgens Cāṇakya Paṇḍita zijn vrouwen over het algemeen niet erg intelligent en daarom onbetrouwbaar. De verschillende familietradities moeten hen daarom altijd bezighouden, zodat ze door hun kuisheid en devotie geboorte zullen geven aan een goede bevolking, die geschikt is om te functioneren binnen het varṇāśrama-stelsel. Wanneer dit varṇāśrama-dharma faalt, zullen de vrouwen vanzelfsprekend vrij zijn in hun activiteiten en hun omgang met mannen en op die manier zullen ze zich aan overspel overgeven, waardoor een risico op onwenselijk nageslacht ontstaat. Ook mannen zonder verantwoordelijkheidsgevoel veroorzaken overspel in de samenleving en op die manier overspoelen onwenselijke kinderen het menselijk ras met het gevaar van oorlog en ziekten.

Bhagavad Gita 1.41

saṅkaro narakāyaiva, kula-ghnānāṁ kulasya ca
patanti pitaro hy eṣāṁ, lupta-piṇḍodaka-kriyāḥ

Vertaling:
Een toename van onwenselijke bevolking veroorzaakt ongetwijfeld een hels bestaan voor zowel de familie als voor zij die de familietraditie vernietigen. De voorouders van zulke verdorven families komen ten val, omdat de rituelen waarbij aan hen voedsel en water wordt geofferd, volledig worden gestaakt.

Commentaar:
Volgens de regels en bepalingen van resultaatgerichte activiteiten bestaat er de noodzaak om regelmatig voedsel en water aan de voorouders van de familie te offeren. Dit offer wordt volbracht door Viṣṇu te vereren, omdat wie eet van wat Viṣṇu van het offer overlaat, bevrijd raakt van allerlei reacties op zonden. De voorouders hebben soms te lijden van verschillende karmische reacties op zonden en het komt voor dat sommigen van hen niet eens een grofstoffelijk lichaam kunnen krijgen en zo gedwongen zijn om als geesten voort te leven in een fijnstoffelijk lichaam. Wanneer hun nakomelingen hun datgene offeren wat van het prasāda-voedsel overblijft, dan worden deze voorouders bevrijd van hun bestaan als geesten of van hun bestaan in andere ellendige levenssoorten. Zulke hulp aan voorouders is een familietraditie en zij die geen leven van devotie leiden moeten zulke rituelen verrichten. Wie wel een leven van devotie leidt, hoeft zulke activiteiten niet te verrichten. Door eenvoudigweg bezig te zijn met devotionele dienst, kan men honderden en duizenden voorouders van allerlei ellende bevrijden. In het Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.41) staat:

devarṣi-bhūtāpta-nṛṇāṁ pitṝṇāṁ, na kiṅkaro nāyam ṛṇī ca rājan
sarvātmanā yaḥ śaraṇaṁ śaraṇyaṁ, gato mukundaṁ parihṛtya kartam

‘Iedereen die allerlei verplichtingen heeft opgegeven en zijn toevlucht heeft gezocht bij de lotusvoeten van Mukunda, de gever van bevrijding, heeft, als hij dit pad in alle ernst volgt, geen plichten meer te vervullen en is de halfgoden, de wijzen, de levende wezens in het algemeen, de familieleden, de mensheid of de voorouders niets verschuldigd.’ Aan zulke verplichtingen wordt vanzelf voldaan door devotionele dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.

Bhagavad Gita 1.42

doṣair etaiḥ kula-ghnānāṁ, varṇa-saṅkara-kārakaiḥ
utsādyante jāti-dharmāḥ, kula-dharmāś ca śāśvatāḥ

Vertaling:
Door de wandaden van hen die de familietraditie vernietigen en die zo de oorzaak zijn van onwenselijke kinderen, worden allerlei gemeenschapsverplichtingen en activiteiten voor het welzijn van de familie tenietgedaan.

Commentaar:
De verantwoordelijkheden die de vier klassen van de menselijke samenleving hebben ten opzichte van de gemeenschap, in combinatie met activiteiten voor het welzijn van de familie zoals die uiteengezet zijn binnen het sanātana-dharma of varṇāśrama-dharma, zijn ontworpen om het menselijk wezen in staat te stellen zijn uiteindelijke verlossing te bereiken. Het verbreken van de traditie van het sanātana-dharma door de onverantwoordelijke leiders van de samenleving brengt daarom een chaos teweeg in die samenleving en als gevolg daarvan vergeten de mensen wat het doel van het leven is: Viṣṇu. Zulke leiders worden als blind beschouwd en personen die hen volgen kunnen er zeker van zijn dat ze naar een chaos worden geleid.

Bhagavad Gita 1.43

utsanna-kula-dharmāṇāṁ, manuṣyāṇāṁ janārdana
narake niyataṁ vāso, bhavatīty anuśuśruma

Vertaling:
O Kṛṣṇa, instandhouder van de mensheid, via de opeenvolging van discipelen heb ik gehoord dat degenen van wie de familietradities vernietigd zijn, voor altijd in de hel verblijven.

Commentaar:
Arjuna baseert zijn argument niet op zijn eigen ervaring, maar op wat hij van gezaghebbende personen gehoord heeft. Dat is de manier om werkelijke kennis te ontvangen. Men kan niet tot ware kennis komen zonder geholpen te worden door de juiste persoon die al verankerd is in die kennis. Binnen de varṇāśrama-dharma-samenleving bestaat er een systeem waarbij men, voordat men sterft, een proces van boetedoening moet ondergaan voor alle begane zondige activiteiten. Wie zich altijd bezighoudt met zondige activiteiten, moet gebruik maken van dit proces van boetedoening, dat prāyaścitta genoemd wordt. Doet men dat niet, dan zal men zeker naar de helse planeten worden overgebracht om daar als gevolg van zondige activiteiten een reeks van ellendige levens te leiden.


De Bhagavad-Gita is de basis

Alle eer aan Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja! Alle eer aan Tridandisvami Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja!

Interview met Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja op 9 maart 1968 in San Francisco.

Interviewer: Uwe Genade, wat is de basis van uw leer?

Prabhupada: De basis van deze leer is de Bhagavad-gita zoals ze is. Ik heb mijn boek, deze Bhagavad-gita zoals ze is, reeds gepubliceerd. Dit boek is niet nieuw. Het is een heel oud boek, tenminste 5000 jaar oud, en het wordt over de hele wereld gelezen. In uw land heb ik gezien dat er ongeveer 25 verschillende Engelstalige edities zijn. En het is net zo in Duitsland, Engeland en Japan. Overal, verspreid over het hele land, is dit boek, de Bhagavad-gita, bekend. Met andere woorden, dit is Krishna-bewustzijn. De spreker van dit boek is Heer Krishna en het onderwerp van het boek is: wat is onze relatie met God?

Als we dan begrepen hebben wat onze relatie met God is, kunnen we ernaar handelen.Net zoals je als Amerikaans staatsburger een speciale relatie hebt met de staat en geacht wordt ernaar te handelen. Dan ben je een goed burger, een gezagsgetrouw burger en dan krijg je bescherming van de staat. Je kan dit zo volmaakt doen als je maar wil. Precies zo is het met onze verhouding tot God, die wij Krishna noemen. Krishna betekent de alaantrekkelijke en dat is de perfecte naam voor God. Tenzij God alaantrekkelijk is, kan Hij God niet zijn. God kan niet de God van de Hindoes zijn, of die van de Christenen, de Joden of de Mohammedanen. Nee, God is voor iedereen en Hij is alaantrekkelijk. Hij bezit alle rijkdom. Hij is volmaakt in alle kennis, heeft een volmaakte schoonheid, is volmaakt onthecht, heeft een volmaakte roem en volmaakte kracht. Op deze manier is Hij alaantrekkelijk. We moeten dus onze relatie met God kennen. Dat is het eerste onderwerp van dit boek, de Bhagavad-gita zoals ze is.

Als we onze relatie begrijpen, kunnen we er ook naar handelen. In deze huidige tijd, wijzen sommigen van ons God af: ‘Er is geen God’. Sommigen van hen hebben nauwelijks een idee van God. ‘God is groot,’ maar zij proberen niet te begrijpen wat hun werkelijke relatie met God is. Ze zijn niet erg serieus. Op deze manier vermijden we feitelijk onze eeuwige relatie met God en kunnen daardoor niet juist handelen en dat is de oorzaak van alle ellende. Dat is de oorzaak van alle problemen.

Net zoals je, wanneer je de wet niet kent, niet correct kunt handelen. Je bent altijd schuldig. Als je bijvoorbeeld niet weet hoe je moet rijden, ‘rechts houden,’ en als je dan links houdt, kun je wel denken: `Ach, het is toch rijden. Wat doet het ertoe, rechts of links?’ Nee! Zodra je links rijdt houdt je je niet aan de wet. Precies zo is het als we onze relatie met God niet kennen. We worden dan steeds misdadiger en krijgen steeds meer problemen. Daarom vertrouwt niemand niemand meer, ongeacht de betere opleiding, de vooruitgang op het gebied van wetenschap en beschaving, de mooie kleding, de grote auto en zo. Zie je? Overal waar je gaat, bij een heer thuis, och: ‘Pas op voor de hond!, Verboden toegang!’ Altijd wantrouwig. Iedereen is wantrouwig ten opzichte van de ander. Elk land wantrouwt elk ander land.

De ene gemeenschap vertrouwt de andere gemeenschap niet. Hoe kan je zo vrede en welvaart hebben. Wantrouwigheid betekent dier, dierlijkheid. Een hond is wantrouwig ten opzichte van een andere hond. Zodra hij een andere hond tegenkomt, begint hij te blaffen: ‘Woef! Woef! Woef!’ Is dat menselijke beschaving? De vergissing van de menselijke “beschaving is dat ze de relatie met God vergeten zijn. Hier is nu het wetenschappelijk uiteenzetting van onze relatie met God. En dan kun je in overeenkomst met die relatie handelen, precies op dezelfde manier. Net zoals wanneer je jouw relatie met de staat, je staatsburgerschap, begrijpt, je naar behoren kunt handelen. Op dezelfde wijze kunnen we goed handelen als we onze relatie met God begrijpen en dit is vredig leven. Bovendien is dit leven, huidige bestaan niet alles. We hebben leven na de dood. Dat is een feit. Net zoals we in dit huidige bestaan ononderbroken leven — jij bent een kind geweest, ik ben een kind geweest, ieder van ons is een kind geweest. Dat was een leven. Toen werden wij tieners. Nu zijn we….. ik wordt oud, en zoals normaal het geval is, moet ik wanneer dit lichaam onbruikbaar wordt ander lichaam nemen. Zo gaat dat nu eenmaal.

Jammer genoeg geloven de mensen niet in een volgend leven. Hoewel ze dagelijks ervaren: `Ik ben eeuwig. Ik kan me mijn kinderjaren herinneren. Ik kan me mijn jeugd herinneren en nu werk ik nog steeds. Dat betekent dat ik voortdurend aanwezig ben, hoewel mijn lichaam op verschillende manieren veranderd is. Dus is het een feit dat je na het verlaten van dit lichaam een ander lichaam zult krijgen. Als je nu deze kamer verlaat, betekent dat niet dat je niet meer bestaat. Je bent naar een andere kamer gegaan. Dit is dus ware wetenschap. En mensen veronachtzamen deze wetenschap. Zij hebben geen informatie.

Er zijn zoveel afdelingen op de universiteiten, technologisch, medisch, bouwkundig, maar waar is de afdeling om kennis te krijgen over dit leven, over God, en onze relatie tot Hem? Dit is dus geen geweldige beschaving. Er is leven na dit leven. Zoals het leven zich ontwikkelt, een kind ontwikkelt zich tot een tiener, de tiener streeft ernaar een groot belangrijk man te worden. Zoals er in dit leven ontwikkeling bestaat, zo is er ook leven na leven ontwikkeling. Er zijn verschillende gradaties van leven. Zo krijgen we uit gezaghebbende boeken de informatie dat er 8.400.000 verschillende levensvormen zijn, bestaande uit 900.000 vormen van waterleven, 2 miljoen soorten planten en bomen, ongeveer 1.100.000 soorten vogels, 3 miljoen soorten viervoetige dieren en 400.000 soorten mensen.

Van de 400.000 verschillende soorten menselijke lichamen, is deze beschaafde levensvorm een grote zegen. Op dat moment kunnen we verdere vooruitgang boeken. Zo kunnen we naar andere planeten gaan…. De levensstandaard, de geneugten, alles is zoveel beter dan op deze planeet. Maar in dit boek, de Bhagavad-gita zoals ze is, geeft ons de informatie dat er in dit stoffelijke universum miljoenen en triljoenen planeten zijn, of je nu op je eigen planeet blijft of naar de maan of de zon gaat… Het hoogste planetaire systeem wordt Brahmaloka genoemd. De levensduur daar is enorm. Je kunt niet eens twaalf van hun uren tellen.

Dit wordt allemaal beschreven in de boek, de Bhagavad-gita zoals ze is. Sahasra-yuga-paryantam arhad yad brahmano viduh. 403.000 zonnejaren is de tijdsduur van één yuga. Duizend van die yugas zijn 12 uur op de Brahmaloka planeet. Ook daar is de levensduur 100 jaar. Maar de vier zaken, geboorte, dood, ouderdom en ziekte, deze vier zijn overal aanwezig, of je nu hier leeft, op de maan, de zon of een andere planeet. De levensduur kan enorm zijn. Als we bijvoorbeeld ons leven vergelijken met dat van de mier — wij leven honderd jaar en voor de mier kan dit enorm verbazingwekkend zijn: ‘O, hoe kan iemand zo lang leven?’ Op deze manier kunnen wij versteld staan van die twaalf uur op Brahmaloka, maar zo is het nu eenmaal. Toch kun je niet ontkomen aan de dood. Dood is er altijd.

In dit boek kunnen we Krishna’s, versie leren kennen, dat a-brahma bhuvanal lokah punar avartino `rjuna. Zelfs als je naar het hoogste planetenstelsel gaat, toch moet je terugkomen. Op deze manier gaan alle levende wezens van de ene planeet naar de andere, van de ene levensvorm naar de andere. Dit is echt niet wat we willen. Als ik zeg: ‘Ik geef je een mooi lichaam, een jong lichaam, een eeuwig lichaam, vol van kennis,’ zou je dat dan niet willen hebben? Niemand houdt ervan om oud te worden, niemand houdt ervan om dood te gaan, niemand houdt ervan om opnieuw geboren te worden, de baarmoeder van de moeder binnen te gaan en daar tien maanden de leven, helemaal samengepakt. Niemand vindt dat leuk. Maar wat is de oplossing? Geven de wetenschappers ons een oplossing?

Er is geen wetenschapper die kan zeggen: Geen probleem, wij maken een einde aan de dood, wij maken een einde aan ziekte. Ze kunnen medicijnen maken die ziektes kunnen tegengaan, maar ze kunnen geen einde maken aan ziekte. Je kunt ziekte aardig bestrijden, maar je kunt de dood niet tegenhouden. Dit zijn de problemen. In de moderne samenleving leren we echter niet hoe we de dood kunnen tegenhouden, hoe we ziekte kunnen tegenhouden, hoe we ouderdom kunnen tegenhouden, hoe we geboorte kunnen tegenhouden, hoe we het eeuwige leven kunnen bereiken, hoe we een gelukzalig leven kunnen begrijpen.. Zij hebben geen opleiding gehad. Maar deze Beweging voor Krishna-bewustzijn, is over de hele wereld bekend, ook al lijkt het in jullie land of wij een nieuwe beweging zijn. Hiervoor heeft echter niemand geprobeerd een praktische vorm te geven aan deze ideeën en deze beweging. Dat is wat ik doe. Dat is wat ik probeer te doen. En met deze missie ben ik naar jullie land gekomen in de hoop dat de Amerikanen dit serieus zullen nemen. Dan zal dit een enorme bijdrage leveren aan de wereld.

In dit verband heb ik dus reeds tijdschriften en boeken uitgegeven. Als mensen dus gebruik maken van deze beweging en proberen deze boeken te begrijpen, dan zullen ze daar enorm veel baat bij hebben. Dat is het basisprincipe van mijn leer. Het is het meest volmaakte humanitaire werk. Probeer het te begrijpen. Wij nodigen iedereen uit. Aanvaard dit vol toewijding. Gebruik je argumenten, je logica, je intelligentie en je zult het ongelofelijk vinden. Dat is het basisprincipe van mijn beweging.


De vertaling van de Srimad Bhagavad Gita van Srila Gurudeva

Deze diepgaande vertaling van Srimad Bhagavad-Gita door Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja zal zeker oprechte leerlingen van bhakti inspireren in hun toegewijde dienst. Het wordt beschouwd als aanvulling van de gezaghebbende en populaire Bhagavad-Gita zoals ze is door Sri Srimad AC Bhaktivedanta Svami Maharaja. De huidige editie bevat de bhavanuvada van de Sarartha-varsini-tika (essentiële betekenissen) van de beroemde Rasacarya Srila Visvanatha Cakravartî Thakura, die oorspronkelijk werd geschreven in het Sanskriet thans, voor de eerste keer in het Nederlands. Zijn commentaar is verder belicht door Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja’s Sarartha-varsini Prakasika-Vrtti, die de lezer leidt tot diepgaande aspecten van de siddhanta. Derhalve worden de meest innerlijke bedoelingen van de Gita geopenbaard aan het moderne publiek. Een aantal van de schitterende Rasika-Ranjana commentaren van Srila Bhaktivinoda Thakura, zijn opgenomen in deze Prakasika-Vrtti.

De vertaling van de Srimad Bhagavad Gita van Srila Gurudeva kunt u hier downloaden. Vertaling door Janaki Natha Dasa.

Srimad Bhagavad Gita_NL


Het beste vers van Bhagavad-gita


In de Bhagavad-gita (18.65) treffen we het volgende vers aan :

man-mana bhava mad-bhakto mad-yaji mam namaskuru
mam evaisyasi satyam te pratijane priyo ‘si me

‘Laat je geest en hart in Mij opgaan, word Mij toegewijd, vereer Me, breng Me je pranama en zeker zal je tot Me komen. Dat beloof Ik je omdat je Me zeer dierbaar bent.’

Dat is het beste van alle verzen van Bhagavad-gita. We moeten niet denken dat het daaropvolgende vers het beste is (18.66):

sarva-dharman parityajya mam ekam saranam vraja
aham tvam sarva-papebhyo moksayisyami ma sucah

‘Laat alle vormen van religiositeit varen – werelds, bovenwerelds, fysiek, mentaal, varnasrama-dharma, verering van goden en godinnen, zelfs de verering van Narayana en Dvarakadhisa – en zoek je toevlucht alleen bij Mij.’

Hoewel dat het laatste vers is en Krsna ons voorhoudt onze dharma te verzaken, kunnen we nog denken dat er een negatieve terugslag op volgen kan. Maar Krsna zegt: ‘Ik neem de verantwoordelijkheid op Me. Ik vergeef je al je zonden.’ Wanneer we onze ouders laten huilen, onze broers en zusters en verdere familie, wanneer een vrouw haar man laat huilen, een man zijn vrouw, wanneer we onze plicht tegenover de samenleving niet nakomen en ons niet aan de varnasrama-dharma houden, is dat allemaal adharma, onreligieus, en iedereen die zo handelt krijgt er een negatieve terugslag van. Maar Krsna zegt: ‘Ik beloof je dat Ik je dadelijk van elke negatieve terugslag zal verlossen.’

Het vers dat we hier behandelen, man-mana bhava, is nog beter dan dit vers. Het vers sarva-dharman parityajya leert ons hoe we tot saranagati, devotionele overgave, moeten komen, maar man-mana bhava toont ons de vrucht van die overgave en is daarom nog verhevener.


Bhagavad Gita Cursus voor iedereen (download)

Beste mensen,
Alle eer aan Sri Sri Guru en Gauranga! Alle eer aan Sri Sri Radha-Vinod-Bihariji!

ya idam paramam guhyam mad bhaktesv abhidhasyati
bhaktim mayi param krtva mam evaiayaty asamsayah
na ca tasman manusyesu kascin me priya-krttamah
bhavita na ca me tasmad anyah priyataro bhuvi

(Bhagavad-gita 18.68-69)

Degene die deze meest vertrouwelijke kennis van de Bhagavad-gita onderwijst aan Mijn toegewijden zal de allerhoogste transcendentale toewijding voor Mij verkrijgen, en zal nadat hij verlost is geraakt van alle twijfel uiteindelijk Mij bereiken. Er is niemand in de menselijke samenleving die Mij meer dierbaar is dan iemand die dit bericht van de Gita aan anderen uitlegt, noch zal er in de hele wereld iemand zijn de Mij meer dierbaar is dan hem.

(Om te beluisteren dubbelklik met je linker muisknop op de file – Wil je het opslaan dan klik je met je rechter muisknop en selecteert OPSLAAN ALS)

Cursus Dag 1: De Essentie van de Bhagavad Gita
01.The Essence of Bhagvad Gita part 1

02.The Essence of Bhagvad Gita part 2

Cursus Dag 2: Bestaat God?
03.Does God Exsist part 1

04.Does God Exsist part 2

Cursus Dag 3: Krsna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods
05. Krsna The Supreme Personality of Godhead part 1

06. Krsna The Supreme Personality of Godhead part 2

07. Krsna The Supreme Personality of Godhead part 3

Cursus Dag 4: De wetenschap der Zelfrealisatie: Wie ben ik?
08.Who Am I part 1

09.Who Am I part 2

Cursus Dag 5: De wet van Karma, Waarom overkomt mij dit?
10. Law of karma part 1

11. Law of karma part 2

10. Law of karma part 1

Cursus Dag 6: Wat is de allerbeste Yoga methode?
12.The Topmost Yoga System part 1

13.The Topmost Yoga System part 2

14.The Topmost Yoga System part 3

Cursus Dag 7: Praktische toepassing van de Bhagavad Gita in ons dagelijks leven
15. Practical Application of Bhagvad Gita Part 1

16. Practical Application of Bhagvad Gita Part 2

17. Practical Application of Bhagvad Gita Part 3


Onze eeuwige vijand LUST

Bhagavad Gita Hoofdstuk 3 vers 39:

avrtam jnanam etena
jnanino nitya-vairina kama-rupena kaunteya
duspurenanalena ca

kaunteya—O Arjuna; jnanam—onderscheidingsvermogen; jnaninah—van de wijze (atma); (is) avrtam—bedekt; etena nitya-vairina—door deze eeuwige vijand; kama-rupena—in de vorm van lust; ca—ook; duspurena—nooit verzadigd rakend; analena—zoals vuur.

Vertaling Bhagavad Gita door Tridandisvami B.V. Narayana Gosvami Maharaja:
O Kaunteya, de ware kennis van de wijze wordt bedekt door de eeuwige vijand in de vorm van kama (lust), welke brandt als vuur en nooit verzadigd kan raken.

Sarartha-varsini

Kama is voorwaar onwetendheid voor alle jiva’s, zoals Sri Bhagavan hier uitlegt in dezesloka beginnende met avrtam. Dit verlangen om van de zinsobjecten te genieten wordt beschreven als de eeuwige vijand; daarom dient het alleszins vernietigd te worden. Kama-rupa betekent in de vorm van kama. Het is echt onwetendheid welke de ware aard van dejiva omhult. Het woord ca is hier gebruikt met de betekenis ‘zoals’. Net zoals vuur niet verzadigd kan raken door er ghi op te gieten, zo ook kan kama niet vervult raken door van de zinsobjecten te genieten.

In Srimad-Bhagavatam
(9.19.14) wordt gezegd:

na jatu kamah kamanam  upabhogena samyati
havisa krsna-vartmeva bhuya evabhivardhate

Vuur raakt niet verzadigd door ghi, integendeel, het breidt zich alleen maar uit. Evenzo neemt de zucht naar zinsgenot door van de zinsobjecten te genieten meer en meer toe. Het bedaart niet.

Sarartha-varsini Prakasika-vrtt Kama is de grondoorzaak van verdriet en leed, en het wordt vergeleken met vuur.

kamanalam madhu-lavaih samayan durapaih

Srimad-Bhagavatam 7.9.25

Kama kan nooit tevreden worden gesteld door van de zinsobjecten te genieten. Het is als een vuur dat niet gedoofd kan worden door druppels honing in de vorm van vluchtige voldoening.

evam grhesv abhirato  visayan vividhaih sukhaih
sevamano na catusyad  ajya-stokair ivanalah

Srimad-Bhagavatam 7.9.25

De wijze Saubhari Muni was niet in staat om vrede te bereiken door overvloedig van zinsobjecten te genieten, net zoals vuur niet gekalmeerd wordt wanneer er druppels ghi in worden gegoten.

sevato varsa-pugan me urvasya adharasavam
na trpyaty atma-bhuh kamo  vahnir ahutibhir yatha

Srimad-Bhagavatam 11.26.14

Zelfs nadat ik de zogenaamde nectar van de lippen van Urvasi voor vele jaren gediend had, bleven mijn wellustige verlangens steeds weer opwellen binnenin mijn hart en raakten nooit voldaan, net zoals een vuur dat nooit gedoofd kan worden door de offerandes van ghi die op zijn vlammen worden gegoten.

Srila Bhaktivinoda Thakura citeert Krsna die zegt, “Deze kama is voorwaar avidya voor dejiva’s en het is hun enige eeuwige vijand. Het omhult de bewuste jiva’s als een onweerstaanbaar vuur. Net zoals Ik, Sri Bhagavan, een bewust wezen ben, is ook de jivaeen bewust wezen. Het verschil tussen Mijn aard en die van de jiva is dat Ik oneindig bewust en almachtig ben, daar waar de jiva atomisch bewust is en alleen kan handelen door de energie gegeven door Mij. De nitya-dharma, eeuwige functie, van de jiva is om Mijn eeuwige dienaar te zijn. Dit wordt prema of niskama-jaiva-dharma genoemd, de eeuwige functie van de jiva wiens motivatie onvermengd is. Ieder bewust wezen is van nature begiftigd met vrije wil, dus is hij Mijn eeuwige dienaar uit zijn eigen vrije wil. Naar gelang de mate waarmee hij zijn vrije wil correct gebruikt, kan hij als Mijn eeuwige dienaar fungeren. Het misbruik van die zuivere vrije wil wordt avidya of kama genoemd. De jiva’sdie Mij niet dienen door op de juiste wijze gebruik te maken van hun vrije wil, zullen kamamoeten aanvaarden, een genietend gemoed, wat de geperverteerde vorm is van de zuivere toestand van de jiva’s, prema. Hun svarupa wordt acchadita-cetana (bedekt bewustzijn) daar ze steeds meer bedekt raken door kama. Dit wordt karma-bandhanagenoemd, de gebondenheid van de jiva, of samsara-yatana, de pijnen van geboorte en dood.”

Uitleg betekenis Bhagavad Gita door Sri Srimad B.V Swami Maharaja:
In de Manu-smrti wordt gezegd dat lust niet bevredigd kan worden, al verschaft men haar nog zo veel zingenot, zoals vuur nooit kan doven als men het voortdurend van brandstof voorziet. In de stoffelijke wereld draait alles om seks en zo wordt deze wereld maithunya-agara genoemd, de gevangenis der seksualiteit. In een gewone gevangenis worden misdadigers achter slot en grendel gezet; op dezelfde manier worden misdadigers die de wetten van de Heer overtreden geketend door seksualiteit. Door een stoffelijk bestaan op basis van zinsbevrediging te bevorderen, verlengt het levend wezen de duur van zijn gevangenschap. Daarom is deze lust het symbool van de onwetendheid waardoor het levend wezen in de stoffelijke wereld wordt vastgehouden. Het kan zijn dat men een zeker geluksgevoel ervaart wanneer men zijn zinnen bevredigt, maar dit zogenaamde geluk is in diepste zin de ergste vijand van de levensgenieter.


Geweldloosheid

DE WERELD WORDT nog altijd overspoelt door een vloedgolf van gewelddadigheid. Er lijkt wel geen einde aan te komen. De ene aanslag en vergelding volgt op de andere aanslag en vergelding.

Religie wordt regelmatig gezien als de oorzaak van vele oorlogen en schermutselingen uit het verleden en heden. Sommigen menen dat religie het beste verboden kan wor­den. Anderen begrijpen dat godsdienst mensen met elkaar identificeert, groepeert en motiveert voor de strijd, terwijl etnische en economische factoren de werkelijke oorzaken zijn van conflicten. Van uit de godsdienst zoekt men dan de morele legitimatie voor het doden van vijanden. Ze zijn in de slag om zich te verdedigen tegen de werkelijke pro­blemen van honger, schaarste en onderdrukking. Het gaat derhalve om de scheefgegroeide verdeling in de wereld van goederen, middelen en subtielere zaken als waardig­heid en onafhankelijkheid. Het verkrijgen en veiligstellen van voedsel en leefomgeving zijn momenteel de belang­rijkste drijfveren in de wereld.

In het Srimad Bhagavatam veroordeelt Koning Citraketu pseudo-religieuze praktijken, te herkennen aan het toe­brengen van leed aan ánderen.

”Hoe kan een religie waardoor men afgunstig wordt op zichzelf en anderen van enig nut zijn? Wat levert het feite­lijk op? Als men door dergelijke afgunst bij zichzelf en anderen pijn veroorzaakt, wekt men Uw woede op en is men juist irreligieus bezig.” (Srimad Bhagavatam 6.16.42)

Onder het mom van godsdienst geweld plegen, terwijl dit in werkelijkheid gevoed wordt door afgunst, klopt dus niet.

De mensen die daadwerkelijk diepe religieuze inzichten en ervaringen hebben, weten dat alle godsdiensten in essentie dezelfde boodschap uitdragen. Islam, Jodendom, Christendom en Vaisnavisme prediken alle­ maal de liefdevolle dienst aan God als het hoogste goed en de daarmee samengaande liefde voor de naaste, die immers ook een dienaar is van God. Zij begrijpen dat God luistert naar diverse namen zoals Allah, Jahweh of Krishna.

Srila Bhaktivinode Thakur gaf in de 19e eeuw al aan dat sociale, culturele en geografische factoren de men­selijke natuur beïnvloeden en dus ook de wijze van gods­dienstbeoefening, hoewel dit de focus van de godsdienst niet verandert.

“Hoewel de menselijke natuur primair hetzelfde is, zijn in de wereld geen twee menselijke wezens te vinden wiens secundaire naturen exact gelijk zijn. Hoe zullen mensen geboren in verschillende landen dezelfde natuur delen, indien twee broers uit dezelfde moeder al verschillend zijn in voorkomen en natuur, nooit identiek in alle opzichten? De wateren, atmosferen, berggebieden, bosgebieden, eet­waar en kledingmaterialen zijn allemaal anders in de ver­schillende landen. Vanwege dit zijn de lichamelijke struc­tuur, huidskleur, gebruiken, klederdracht en voedsel van de mensen daarin geboren, verschillend geworden, overeen­stemmend met het verschil in hun verkregen naturen, welke aansluiten bij de respectievelijke milieus. De men­tale omstandigheden in bepaalde streken zijn op die manier eveneens verschillend. En hun voorkeuren richting God, dat binnen dit kader valt, hoewel in principe gelijk, worden anders al naar gelang de verschillen in hun taal, klederdracht, eetwaar, temperamenten, etc. Indien beschouwd met een onpartijdige kijk op deze gang van zaken, wordt er geen schade veroorzaakt door deze secun­daire verschillen. Er is niets mis op het moment van ver­vulling, zolang er eenheid bestaat met betrekking tot het voornaamste object van aanbidding.”

Waarom komt de boodschap uit interkerkelijke ontmoetin­gen niet tot de mensheid en de religieuze volgelingen? Omdat er een cultuur heerst van brood en spelen. En keer op keer hebben de media het over het ‘religieus geweld zus’ en ‘religieus geweld zo’. Daarnaast, in een cultureel programma op TV, gaf professor Nadier van de Berkeley Universiteit aan dat de media een cultuur van gewelddadig­heid propageren. Geweld op tv, in films, in het nieuws en in de kranten. Volgens hem zijn de media dus wel degelijk schuldig aan de huidige cultuur. Gladiatorachtig geweld, excessen en emoties, stuwen kijkcijfers op, vrede niet. Niet sussen dus, maar aanwakkeren!, zo lijkt het motto.

De gewelddadige cultuur verwekt volgens professor Nadier wel een impuls tot geweldloosheid. Zelf noemt hij geweldloosheid het allerhoogste principe, hetgeen hij, in navolging van Mahatma Ghandi, baseert op de Bhagavad Gita.

De menselijke samenleving moet zo zijn ingericht dat een ieder in zijn levensonderhoud kan voorzien zonder ande­ren naar het leven te staan. Srila Prabhupada geeft aan dat de Veda’s instrueren mahimsyat sarva-bhutani, (pp Bg 2.19) bejegen geen schepsel met geweld. Hier is natuurlijk wel iets vreemds aan de hand, want in de Gita spoort Sri Krishna zijn vriend Arjuna aan om in gevecht te gaan met zijn eigen neven, leermeesters en andere familieleden. Dezelfde Veda’s (pp Bg 1 .36) geven de mens toestemming zich te verdedigen tegen zes soorten aanvallers: gifmen­gers, brandstichters, gewapende moordenaars, plunde­raars, bezetters, en vrouwenrovers. Wie zich onverhoopt tegen hen moet verdedigen, en hen daarbij doodt begaat dan geen zonde, aldus de Veda’s.

Geweld wordt niet altijd bestreden met geweldloosheid. Een chirurg pleegt gericht geweld door iemands buik open te snijden teneinde een gezwel te verwijderen, welke anders nog meer schade zou aanrichten. De tandarts trekt met geweld een bedorven kies, zodat normaal eten weer mogelijk is. Een politieagent slaat een straatrover neer om argeloze burgers te beschermen. Een regering zet haar leger in om zich te beschermen tegen terroristen of bezet­ters. Om tot een meer geweldloze samenleving te komen is de inzet van defensief geweld soms nodig tegen agressief geweld. Als defensief geweld uitblijft bij agressie dan kan een samenleving een speelbal worden in de handen van hebzuchtige agressors. Op het slagveld van Kuruksetra was er sprake van een noodsituatie, zodat ingrijpen nodig was, hoewel van tevoren uitputtende diplomatieke vredespogingen waren ondernomen.

De kunst is om de twee soorten agressie uit elkaar te halen. Dit is doorgaans de taak van de ksatriya’s, de beschermen­de en regerende klasse. Zij zijn aangesteld om de bevol­king in rust en vrede te laten leven door hen te beschermen en zonodig rotte plekken te verwijderen voordat deze uit­ woekeren. Niet eenvoudig, zeker niet in dit Kali-tijdperk, de kosmische wintertijd, waar verwarring en bedrog door de materiële natuur wordt opgelegd.

Geweldloosheid kent ook nog een veel hogere orde. In de verzen 13.8-12 van de Gita geeft Krishna aan wat Hij alle­maal verstaat onder waarachtige kennis en wat daarbuiten valt. Geweldloosheid behoort tot waarachtige kennis. Srila Prabhupada geeft een definitie van geweldloosheid van een hogere orde:

“Geweldloosheid wordt in de regel opgevat als het niet doden of vernietigen van het lichaam, maar geweldloos­heid betekent in feite dat men anderen geen verdriet doet. Door onwetendheid is de mensheid gevangen geraakt in de materiële levensbeschouwing en lijdt voortdurend stoffe­lijke pijn. Dus tenzij men de mensen tot geestelijke kennis brengt, pleegt men geweld. Men dient zich in te spannen, ware kennis te verspreiden onder de mensen, opdat ze ver­licht kunnen raken en deze materiële verwarring de rug toe kunnen keren. Dat is geweldloosheid.”

Als bewoner van de spirituele wereld, in Krishna’s gezel­schap, is het levend wezen op zeker moment op Krishna’s stoel gaan zitten en is Hem zodoende uit het oog verloren. Door zelf te willen ervaren hoe het is God te zijn raakte ze aangetrokken tot Zijn materiële energie en raakte daar gehecht aan tijdelijk, kortstondig en weinig intens genot. Een druppeltje spiritueel geluk is een oceaan van extase vergeleken bij het toppunt van aards genot. Gewend aan eeuwig intens geluk, jaagt de dolende ziel vanwege zijn onwetendheid verder in de onjuiste richting van het aardse genot, hetgeen altijd tegen valt. Het gefrustreerde, boze en begoochelde levend wezen lijdt pijn, vanwege het gebrek aan geluk, maar ook van wege het constant rondtollen in de pijnlijke cyclus van geboorte, ziekte, ouderdom en dood. Hoe kan het levend wezen zo vrede kennen?

Srila Prabhupada koppelt geweldloosheid aan het daad­ werkelijk hoogste principe, namelijk, actief ervoor zorgen dat mensen nooit meer hoeven rondtollen in deze leedrijke cyclus van geboorte, ziekte, ouderdom en dood. Dit is meer dan alleen maar ervoor zorgen dat iedereen er lichamelijk gezellig en warmpjes bij zit in het aardse, als één grote happy family. Dat zou een promotie zijn van derde­ klas naar eersteklas gevangene. Een stuk aangenamer wel­iswaar, het zij iedereen gegund, maar de gevangenschap in de pijnlijke cyclus van geboorte en dood blijft. De ultieme vorm van geweldloosheid is derhalve het wijzen van de levende wezens op de mogelijkheid om toegewijde dienst aan Krishna te gaan cultiveren en hen daarbij te helpen door hen voor te gaan.


Sanatan Dharma – De eeuwige Religie voor iedereen

Gesprek met Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada, waarin hij een vragenlijst beantwoordt van het Bhavan’s Journal. Dit gesprek vond plaats op 28 juni 1976.

Vraag: ‘Er wordt gezegd dat de grootste kracht van het hindoe­ïsme haar ruimdenkendheid is. Deze ruimdenkendheid is echter tegelijkertijd haar grootste zwakte, omdat er zeer weinig algemene religi­euze voorschriften zijn, die net zoals bij andere religies het geval is, voor iedereen verplicht zijn. Is het noodzakelijk en mogelijk een uit­eenzetting te geven van enkele grondvoorschriften voor alle hindoes?’

Srila Prabhupada: De vedische religie is niet alleen bedoeld voor zogenaamde hindoes. Dat moeten we goed begrijpen. Dit is sanatana-dharma, de eeuwige en uni­versele aard en plicht van ieder levend wezen. Het is bedoeld voor alles wat leeft, voor alle levende wezens. Dat is de reden waarom het sanatana-dharma wordt genoemd. Ik heb dat eerder ook uitgelegd.

Het levend wezen is sanatana, eeuwig, God is sanatana en er is de sanatana-dhama, de eeuwige woning van de Heer. Zoals Krishna in de Bhagavad-gita (8.20) beschrijft: paras tasmat tu bhavo ‘nyo vyakto ‘vyaktat sanatanah — ‘Maar er is een andere ongemanifesteerde natuur, die eeuwig is.’ En in het elfde hoofdstuk beschrijft Krishna Zichzelf als sanatanah. Herinner je je dat? Hij wordt er beschreven als sanatanah, de aller­hoogste eeuwige.

Het vedische systeem wordt dus eigenlijk sanatana-dharma genoemd, niet hindoe-dharma. Dat is een ver­keerde voorstelling van zaken. Dit sanatana-dharma is bedoeld voor alle levende wezens, niet slechts de zoge­naamde hindoes. De term ‘hindoe’ op is zichzelf een misvatting. De moslims noemden de Indiërs die aan de andere kant van de Sindu-rivier woonden `Sindoes’, wat door hun karakteristieke uitspraak ‘Hindoes’ werd. In ieder geval noemden de moslims India `Hindoestan’, wat ‘het land aan de andere kant van de Sindoe’, ofwel de Hindoe-rivier, betekent. Nergens in de veda’s wordt naar `Hindoestan’ verwezen. Dit ‘hindoe-dharma’ is dus niet gebaseerd op de veda’s.

Werkelijk vedisch-dharma is sanatana-dharma of var-nashrama-dharma. Dit moet eerst begrepen worden. Dat sanatana-dharma of vedisch-dharma wordt nu genegeerd, verdraaid, slecht vertegenwoordigd en ver­keerd begrepen als ‘hindoeïsme’. Dat is een verkeerde opvatting. Wij moeten het sanatana-dharma of var-nashrama-dharmabestuderen, dan zullen we begrijpen wat de vedische religie inhoudt.

Ieder levend wezen is eeuwig, sanatana. God is ook eeuwig en we kunnen samen met God leven in Zijn sanatana-dhama, Zijn eeuwige woning. Deze wissel­werking wordtsanatana-dharma genoemd, de eeuwige aard en plicht van het levend wezen. Vedische religie betekent dus dit sanatana-dharma, niet hindoe-dharma. Lees het vers uit deBhagavad-gita eens dat Krishna als sanatanah beschrijft.

Opmerking:

tvam aksaram paramam veditavyam, tvam asya visvasya param nidhanam

tvam avyayah sasvata-dharma-gopta, sanatanas tvam puruso mato me

`Jij bent het hoogste en voornaamste doel. Je bent de uiteindelijk rustplaats van dit hele universum. Je bent onuitputtelijk, de oudste, de instandhouder van de eeu­wige religie en de Persoonlijkheid Gods. Dat is mijn mening.’ (Bhagavad gita 11.18)

Srila Prabhupada: Deze kennis is noodzakelijk. Krishna is eeuwig, wij zijn eeuwig en de plek waar wij met Hem zullen leven en onze gevoelens zullen uitwis­selen, is eeuwig. En het systeem dat ons dit eeuwige systeem van wisselwerking onderwijst, wordt sanatana-dharma genoemd, de eeuwige religie. Ze is bedoeld voor iedereen.

Vraag: Hoe kunnen mensen sanatana-dharma dagelijks op een praktische wijze volgen?

Srila Prabhupada: Hoe doen wij het? Is dat niet prak­tisch? Krishna vraagt ons: man-mana bhava mad-bhak-to mad-yaji mam namaskuru — ‘Denk onafgebroken aan Me, word Mijn toegewijde, aanbid Me en breng je eerbetuigingen aan Mij.’ [Bg.18.65] Wat is daar onpraktisch aan? Wat is het probleem? En Krishna belooft: mam evaisyasy asamsaya —‘Als je dit doet zul je tot Mij komen. Zonder enige twijfel zul je tot Mij komen.’ Waarom doe je dat niet?

Later verzoekt Krishna ons: sarva-dharman parityajya mam ekam saranam vraja ‘Laat alle vormen van religie achter je en geef je alleen aan Mij over.’ [Bg. 18.66] Dit is praktische religie. Geef je gewoon over aan Krishna en denk: ‘Ik ben
Krishna’s toegewijde, Krishna’s dienaar.’ Volg deze eenvoudige aanpak en alles komt goed. Echt dharma, echte religie, betekent: dharmam tu saksad bhagavat-pranitam — Wat God zegt is dharma. [Bhag. 6.3.19] En God zegt: ‘Laat al die ver­zonnen dharma varen en geeft je alleen aan Mij over.’ Aanvaard daarom dat dharma.

Waarom aanvaard je Krishna’s instructie niet? Waarom vermijd je Zijn instructie? Dat is de oorzaak van al je problemen. Je weet het ver­schil niet tussen dit sanatana-dharma, de ware eeuwige religie, en je verzonnen dharma. Als je een vals religieus stelsel aanhangt, zul je lijden. Maar als je het echte religieuze stelsel volgt, zul je gelukkig worden.

Natuurlijk heeft India, net als de rest van de wereld, tegenwoordig het echte religieuze stelsel — sanatana-dharma of varnashrama-dharma —opgegeven. In India hebben ze een mengelmoes aanvaard, dat hindoeïs­me wordt genoemd. Daarom zijn er problemen. Overal, maar vooral in India, moet men weten dat dit vedi­sche systeem de echte religie is. Vedische religie betekent: varnash-rama-dharma. Krishna, God, zegt: catur varnyam maya srstam — ‘Met het oog op spirituele en materiële vooruitgang, zijn de vier geledingen van de menselijke samenleving door Mij ingesteld.’ [Bg. 4.13] Dat is ver­plicht, net zoals het volgen van de staatswetten verplicht is. Je kunt niet zeggen: ‘Ik aanvaard deze wet niet.’ Nee, je moet die aanvaarden wan­neer je een gelukkig leven wilt lei­den. Je kunt geen vogelvrijverklaar­de worden, want je zult niet gelukkig zijn. Je zult gestraft worden.

God zegt: maya srstam — ‘Dit var-nashrama-systeem wordt door Mij gegeven.’ Hoe kunnen we het dat weigeren te volgen? Dat betekent dat we de ware religie verlooche­nen.Dharmam tu saksad bhagavat-pranitarn. Echt dharma, echte reli­gie, betekent de orde die door God gegeven is. En God zegt: catur-var-nyam maya srstam guna-karma-vib-hagasah — ‘Ik heb deze vier sociale geledingen geschapen, die geba­seerd zijn op de eigenschappen en activiteiten van de mensen, zodat de menselijke samenleving op de juiste manier bestuurd wordt.’ Daarom moet je het aanvaarden.

Vraag: En dit is een voor­schrift dat voor iedereen geldt?

Srila Prabhupada: Voor iedereen. Aan het hoofd van de sociale orde moet de intelligente klasse mensen staan; zij geven advies. Verder moet er een regerende en beschermende klasse zijn evenals een klasse van landbouwers en handelslieden en ook een arbeidersklasse. Dit wordt allemaal uiteengezet in de Bhagavad-gita: brahmana, ksatriya, vaisya, sudra.

Wanneer je je echter volledig over­geeft aan Krishna, kun je alle regels met betrekking tot de vier sociale klassen opgeven. Dat is waarom Krishna zegt: sarva-dharmam pari-tyajya — ‘Uiteindelijk is mijn instructie dat je alle religieuze voor­schriften moet opgeven’, inclu­sief de vedische voorschriften, `en je alleen aan Mij moet overgeven.”Brahmana-dharma’,`ksatriya-dharma’, ‘hindoe-dharma’, dit dharma, dat dharma — geef deze allemaal op en geeft je alleen aan Krishna over, want het uiteindelijke doel van dharma is om tot Krishna te komen. ‘Kom rechtstreeks tot Mij en alles zal goed komen.’

Leerling: Zo veel mensen verzin­nen hun eigen systeem en zeggen: `Dit is de weg naar God.’

Srila Prabhupada: Laat ze dan maar lijden. Wat valt hieraan te doen? Als je de wetten van de staat niet aanvaardt maar je eigen wetten fabriceert, dan zul je lijden. De staat zegt: ‘rechts aanhouden.’ Maar als je je eigen wet maakt — ‘Nee, ik zal links aanhouden’ — dan zul je lijden. Dat is een feit.

Krishna geeft een persoonlijk advies: sarva-dharman parityajya mam ekam saranam vraja. — “Laat al je verzonnen religie achter je en geef je alleen aan Mij over.’ Neem dit advies ter harte en wees gelukkig.


Wat is ons werkelijke dharma?

Bhagavad Gita Hoofdstuk 9 vers 3

asraddadhanah purusa / dharmasyasya parantapa
aprapya mam nivarttante / mrtyu-samsara-vartmani

parantapa—O overwinnaar van de vijand; purusah—personen; asraddadhanah—die geen geloof hebben; asya—in deze; dharmasya—beoefening van toegewijde dienst; aprapya—zonder te bereiken; mam—Mij; nivarttante—zij keren terug; vartmani—op het pad; samsara—van het materiële bestaan; mrtyu—en de dood.

O Parantapa, degenen die niet geloven in deze dharma in de vorm van bhakti bereiken Mij niet. Zij dolen rond op het pad van het materiële bestaan, dat vervuld is van de dood.

Sarartha-varsini
Arjuna zou de volgende twijfel op kunnen werpen: “Als deze dharma zo gemakkelijk geperfectioneerd kan worden, waarom blijven er dan zoveel mensen in het materiële bestaan?” In antwoord op deze vraag spreekt Sri Bhagavan deze sloka die begint met asraddadhanah. Het woord asya betekent dharma in de vorm van bhakti. Asraddadhanah purusah duidt op mensen die het geloof hierin ontberen.
“De superioriteit van bhakti wordt vastgesteld door de verklaringen van sastra, maar de ongelovigen denken dat zulke verheerlijking overdreven is. Ze wijzen deze dharma af vanwege athe¡stische intelligentie. Zelfs als iemand het pad van bhakti opgeeft en zware alternatieve maatregelen onderneemt om Mij te bereiken, zal hij nog steeds niet succesvol zijn. In plaats daarvan zal hij voortdurend ronddolen op dit pad van het materiële bestaan wat doordrongen is van de dood.”

Sarartha-varsini Prakasika-vrtti
Zelfs nadat ze kennis hebben gemaakt met de glories van bhakti en er over gehoord hebben, denken sommigen dat deze glories overdreven zijn en ontwikkelen zij geen geloof in bhakti. Zulke ongelovige personen die geen bhagavad-bhakti aannemen worden gedwongen om herhaaldelijke geboortes te nemen in deze materiële wereld. Sraddha (geloof) is de grondoorzaak van bhakti. Men kan Bhagavan, die bhakta-vatsala is, alleen door bhakti bereiken. Dit wordt ook bevestigd in Sri Caitanya-caritamrta (Madhya-lila 22.64): sraddhavan jana haya bhakti-adhikari. “Degenen die gelovig zijn komen in aanmerking voor bhakti.” Verder wordt er gezegd:

brahmanda brahmite kona bhagyavan jiva
guru-krsna-prasade paya bhakti-lata-bija

Madhya-lila 19.151

Gedurende het ronddolen door heel dit universum, verkrijgt een zeldzame jiva die buitengewoon fortuinlijk is, het zaadje van de klimplant van bhakti door de genade van Sri Gurudeva.

Sri Gurudeva stort het verlangen om Sri Krsna te dienen in het hart van de jiva’s. Dit verlangen staat bekend als krsna-seva-vasana, en door dit bereikt men paramatmika-sraddha, bovenzinnelijk geloof, wat de grondoorzaak is van bhakti. De ongelovigen en onfortuinlijke personen nemen geen beschutting van dit pad van bhakti dat is vastgesteld in alle sastra. Zij proberen Sri Bhagavan te bereiken door andere processen te hanteren, zoals het verrichten van vrome activiteiten, jnana, yoga en tapasya, maar hun willekeurige pogingen zijn tevergeefs. Srimad-Bhagavatam (11.12.9) verklaart:

yam na yogena sankhyena / dana-vrata-tapo-’dvaraih
vyakhya-svadhyaya-sannyasaih / pranuyad yatnavan api

Ook al houdt men zich met grote moeite bezig met mystieke yoga, filosofische speculatie, liefdadigheid, geloftes, boetedoeningen, ritualistische offerandes, het onderwijzen van Vedische mantra’s aan anderen, het persoonlijk bestuderen van de Veda’s, of de verzaakte levensorde, kan men Mij nog steeds niet bereiken.

Bovendien luidt de kern van Srila Visvanatha Cakravarti Thakura’s commentaar op Srimad-Bhagavatam (10.87.33) als volgt: “Degenen die dienst aan de lotusvoeten van Sri Gurudeva, welke hun voornaamste steun is op het pad van bhakti, opgeven, en ernaar verlangen om hun geest onder het juk te brengen door yoga of andere methodes, streven vruchteloze hoop na. Zij vallen in de oceaan van het materiële bestaan, die vol obstakels en verschillende soorten onheil zit.” Sri Bhagavan heeft dit onderwerp ook zeer uitvoerig uitgelegd in Bhagavad-gita (3.31 en 12.20).

Vertaling: Janaki Natha Dasa


Is er leven na de dood?

dehino ’smin yatha / kaumaram yauvanam jara
tatha dehantara-praptir / dhiras tatra na muhyati

yatha—net zoals; asmin—in dit; dehe—lichaam; dehinah—behorend tot de belichaamde ziel; (overgaat van) kaumaram—jeugdjaren; yauvanam—naar tienerschap; jara—naar oude leeftijd; tatha—op dezelfde manier; (bij) praptih—bereiking; deha-antara—van een verandering van lichaam; tatra—dan; dhirah—een bedachtzaam persoon; na muhyati—wordt niet in verwarring gebracht.

Net zoals de belichaamde atma overgaat van jeugd tot adolescentie tot ouderdom, zo ook gaat hij na zijn dood over tot een ander lichaam. Een intelligent persoon raakt niet verward door de geboorte en dood van het lichaam.

Sarartha-Varsini
Het volgende punt kan ter sprake worden gebracht: Aangezien de atma in verbinding staat met het lichaam, zal het lichaam ook een voorwerp van onze liefde zijn. Bovendien zullen degenen die gerelateerd zijn aan het lichaam zoals zonen, broers, familieleden, kleinzonen enzovoorts, ook de voorwerpen van onze liefde zijn, dus wanneer zij sterven zullen we zeker verdriet voelen. In antwoord hierop spreekt Sri Bhagavan deze sloka beginnend met dehinah. “De jiva in het lichaam bereikt de jeugd; aan het eind van zijn jeugd bereikt hij adolescentie, en aan het einde van adolescentie bereikt hij een hoge leeftijd. Evenzo verkrijgt hij bij het verlies van het lichaam een ander lichaam. Net zoals men niet treurt aan het eind van zijn jeugd en adolescentie, welke voorwerpen van liefde zijn vanwege hun relatie met de atma, zou men ook niet moeten treuren om het verlies van het lichaam zelf, welke ook een voorwerp van onze liefde is vanwege diens relatie met de atma, wanneer deze verloren gaat. Als een persoon treurt wanneer hij een hoge leeftijd bereikt na het verlies van de adolescentie, dan voelt hij zich ook blij wanneer hij de adolescentie bereikt na zijn jeugd. Daarom zou jij ook blij moeten zijn, want wanneer Bhisma en Drona hun oude lichamen verliezen, zullen ze nieuwe verkrijgen. Of je zou het zo moeten zien dat, net zoals er in een lichaam verschillende stadia van groei worden bereikt, dezelfde jiva verschillende soorten lichamen verkrijgt.”

Sarartha-Varsini Prakasika-vrtti
Het woord dehi betekent de atma of jiva, welke onveranderlijk is, daar waar het lichaam onderhevig is aan transformatie. Zelfs wanneer het lichaam veranderingen ondergaat van jeugd naar adolescentie tot ouderdom en dood, ondergaat de belichaamde atma geen enkele verandering. Het blijft altijd hetzelfde. Daarom is het niet gepast om te treuren om het verlies van het lichaam. Net als men bij het achterlaten van de jeugd en het betreden van de adolescentie blijdschap voelt in plaats van verdriet, zo ook verkrijgt men na de dood een nieuw, capabel, en mooi lichaam. Dus waarom zou men verdrietig zijn? Men zou eigenlijk alleen maar blijdschap moeten voelen.
Koning Yayati werd oud in zijn jeugd omdat hij was vervloekt door zijn schoonvader, Sukracarya. In grote verontrusting smeekte hij nederig om vergiffenis aan de voeten van Sukracarya. Om zijn dochter, die met de koning getrouwd was, tevreden te stellen, gaf Sukracarya hem de zegen dat hij zijn ouderdom kon omwisselen voor de jeugd van elk van zijn jonge zonen. Zijn oudste zoon Yadu weigerde omdat hij bhagavad-bhajana wou verrichten, maar zijn jongste zoon, Puru, schonk zijn jeugd en aanvaardde de ouderdom van zijn vader. Op deze manier werd Yayati weer jong en genoot hij met zijn koninginnen (Devayani en anderen). In het gezelschap van zijn zoons en kleinzoons achtte hij zichzelf erg gelukkig. Uiteindelijk echter, begreep hij dat al dit genot slechts tijdelijk was en de oorzaak van oneindige ellende. Aldus gaf hij zijn zoons jeugd aan hem terug en ging naar het woud om bhajana van Bhagavan (Srimad-Bhagavatam 9.18.1-51) te doen. Daarom is het gepast om zich blij te voelen, in de wetenschap dat bij het verlies van een oud, zwak en verwelkt lichaam, men een gezond, sterk en mooi nieuw lichaam zal verkrijgen.

Bhagavad Gita hoofdstuk 2 vers 13


In deze wereld dreigt er GEVAAR BIJ IEDERE STAP

Niemand vraagt om ellende, maar probeert dit juist uit de weg te gaan. Geluk, plezier, lachen, voldoening, extase, dat zijn wel zaken waar iedereen naarstig naar zoekt. Het Srimad-Bhagavatam 10.14.58 leert ons echter een overduidelijke les: padam padam yad vipadam, in deze materiële wereld dreigt er gevaar bij iedere stap.

Zo zit je vol met toekomstplannen en voor je het weet gaat daar ongevraagd een dikke streep doorheen en wordt je wakker in een ziekenhuis, verminkt voor het leven, of je verlaat deze wereld zelfs onbedoeld. Uiteindelijk wacht iedereen de onvermijdelijke dood, is het niet via rampen of ongelukken dan wel door slijtage, een hartaanval, een hersenbloeding of een slopende ziekte zoals kanker.

Iedere dag stilstaan bij ons doodsuur willen we doorgaans  niet, dus stoppen we de dood het liefst ergens in een don­ker hoekje, uit het zicht. En na een confrontatie met de dood, waarbij alle andere bezigheden hun smaak en belang totaal verliezen, proberen we de draad snel of traag weer op te pakken: ‘Het leven gaat door!’ Alsof het onszelf nooit zal gebeuren of pas wanneer het ons uitkomt, wanneer we denken klaar te zijn met ons leven (maar dat zal, onze aard kennende, wel nooit gebeuren). Toch komt de dag dichter­bij waarvan je de avond nooit zult meemaken en dierbaren voor de allerlaatste keer hebt gezien. Voor de meeste men­sen komt de dood als een dief in de nacht, ongelegen en onverwacht.

In deze materiële wereld zoekt men naar intens geluk, maar in de regel vindt men intens leed. De verhouding tus­sen geluk en leed is nogal onevenredig. Het geluk is als een druppel water, maar het leed is als de hete woestijn. Terwijl leed en ongemakken kennelijk de normaalste zaak van de wereld zijn in het materiële bestaan, zijn onze ver­langens naar geluk hier niet te bevredigen. Want zodra dat­gene waar we op uit waren bereikt is, is de lol er al weer af of het produceert zoveel leed, dat de vreugde ervan niets voorstelt. We hopen altijd op veel meer dan we uiteindelijk krijgen.

Heer Brahma schetst de aard van deze wereld en betuigt daarom zijn medelijden met de levende wezens aan Heer Krishna:

0 Heer, de mensen van de wereld worden achter­volgd door al hun materiële zorgen; ze zijn altijd bang. Ze proberen steeds hun rijkdom, lichaam en vrienden te beschermen, ze zitten vol verdriet en ongeoorloofde verlangens en wat daar bij komt, en hebzuchtig gaan ze bij hun ondernemingen uit van de vergankelijke opvatting van “mij” en “mijn”. Zolang ze hun heil niet bij Uw veilige lotusvoeten zoeken, blijven die angsten hen vervullen. (Bhag.3.6.6)O Gij die grote daden verricht, o Heer, al deze arme schepselen zijn voortdurend verstoord door honger, dorst, strenge koude, afscheiding en gal, hoestaan­vallen tijdens de winter, de verzengende hitte van de zomer, regenbuien en allerlei andere stoornissen, terwijl ze bovendien overmand raken door sterke seksuele verlangens en tomeloze woede. Ik heb medelijden met hen en ik beklaag hun lot. (Bhag. 3.6.8)

Alles wat op materieel gebied wordt verkregen, wordt door mot en roest ontoonbaar gemaakt. Oók de lichamen van onze dierbaren en dat van onszelf. Ieder weldenkend mens kan dit met eigen ogen zien. Doordat uiteindelijk alles, maar dan ook echt alles, uit onze handen wegglipt, ervaart het levend wezen grote angst, verdriet, pijn, woede en frus­tratie. Tijdelijkheid is nu eenmaal de aard van de materië­le wereld en iedereen worstelt in meer of mindere mate met dit gegeven, omdat we gehecht zijn geraakt aan deze tijdelijke rijkdommen en tijdelijke relaties in onze pogingen onze verlangens te vervullen.

Beste koning, nu ervaart u aan den lijve de ellende van iemand die zoons en dochters heeft. 0 koning, eigenaar van de staat Surasena, iemands vrouw, zijn huis, de rijkdommen van zijn koninkrijk, en zijn verschillende andere bezittingen en zinsobjecten hebben allemaal met elkaar gemeen dat ze tijdelijk zijn. Iemands koninkrijk, militaire macht, schatten, bedienden, ministers, vrienden en verwanten zijn allemaal de oorzaak van angst, illusie, verdriet en pijn. Ze zijn als een gandharva-nagara, een paleis in het woud dat men in zijn verbeelding ziet, maar dat in werkelijkheid niet bestaat. Omdat al deze dingen vergankelijk zijn, zijn ze niets dan drogbeelden, dromen en fantasieën. (Bhag. 6.15.21-23)

De mensen in rampgebieden, waar de hel zich als het ware op aarde heeft gemanifesteerd, zijn inmiddels volkomen bekend met het intense verdriet dat het verlies van dierbaren of het verlies van hun welzijn met zich meebrengt. Het houdt ook nooit op: de ene ramp zal worden gevolgd door de andere. Zo beaamt Heer Krishna in de Bhagavad Gita dat de gehele stoffelijke wereld voortdurend te maken heeft met de pijnen van geboorte, ziekte, ouderdom en dood: Alle planeten in de stoffelijke wereld, van de hoog-ste tot de laagste, zijn oorden van ellende, waar geboorte en dood zich steeds herhalen. Maar wie Mijn woning bereikt, 0 zoon van Kunti, wordt nooit meer geboren. (Bhagavad-gita 8.16)

Na alle negatieve bevindingen over de wereld waarin we nu leven wordt het toch nog positief. Krishna geeft hier namelijk ook gelijk een oplossing! Ontsnappen blijkt namelijk mogelijk door Zijn woning te bereiken of door beschutting te zoeken bij de lotusvoeten van de Heer, zoals Brahma mooi omschrijft in het eerder aangehaalde vers. In Krishna’s woning is geen plaats meer voor angst!

Het eerste wapen in de strijd tegen de materiële wereld is om te begrijpen dat deze onnatuurlijk is voor het levend wezen, omdat het zelf onvergankelijk is en op geen enkele wijze vernietigd kan worden. Het is een eeuwig integrerend deeltje van God en is daarom net als Krishna, sat-cit-ananda, eeuwig, vol kennis en gelukzalig. Vandaar dat ieder levend wezen van nature voortdurend naar geluk en extase zoekt in deze stoffelijke wereld, niet wil doodgaan, streeft naar kennis en zaken als leed en sterven absoluut niet kan waarderen. Dit is geen theorie, iedereen kan dit zien. De ziel is eeuwig, het lichaam niet. Heer Krishna zegt:
Geen wapen kan de ziel ooit in stukken snijden, noch kan ze door vuur worden verbrand, door water verdronken of door de wind verdroogd.
Deze individuele ziel kan breken noch oplossen, verbranden noch verdrogen. Ze is eeuwig, alomte-genwoordig, onveranderlijk, onbeweeglijk en immer eender.
Er is gezegd dat de ziel onzichtbaar, onvoorstelbaar en onveranderlijk is. Nu je dit weet, mag je niet meer om het lichaam treuren. (Bg. 2.23-25)

Het lichaam verwelkt al tijdens ons leven en dwingt ons uiteindelijk dit lichaam te verlaten. De `ik’-beleving of het zelfbewustzijn verwelkt echter nimmer tijdens het leven. Ook dit kan men inzien.

We zijn ooit in dit materiële tranendal terecht gekomen. De religieuze geschriften van alle tradities leren dat dit komt omdat we onze natuurlijke liefdevolle en gelukzalige relatie met Krishna, God, Jehovah, of Allah, uit het oog zijn verloren en zo tot Zijn lagere energie zijn aangetrokken, met als doel die energie te overheersen en er zo gelukkig te worden. Zolang de ziel niet inziet dat dit onmogelijk is, blijft ze worstelen met de materiële wereld waarin ze bovendien telkens weer de stoffelijke gevolgen van haar doen en laten tegenkomt. De keuze om deze wereld los te laten is aan het levend wezen.

De allerbelangrijkste boodschap is dat die relatie die het levend wezen met Krishna heeft te herstellen is door weer te doen wat we ooit deden: Krishna toegewijd dienen. Dit zal Zijn oneindige gelukzaligheid nog meer doen toenemen, wat ons vervolgens weer intens gelukkig maakt. Toegewijde dienst is de remedie om de materiële wereld los te laten en hier weg te komen, maar veel meer nog de remedie om écht gelukkig te worden in onze natuurlijke positie als Krishna’s dienaar.

Voor degene die Mij aanbidt, die al zijn bezigheden aan Mij wijdt en Me onveranderlijk trouw is, die verbonden is in toegewijde dienst en altijd op Me mediteert, die zijn geest op Mij gericht houdt, 0 zoon van Prtha — voor hem ben Ik de snelle redding uit de oceaan van geboorte en dood. (Bg. 12.6-7)
Zo’n bevrijd persoon wordt niet aangetrokken door stoffelijk zingenot of uiterlijke zaken, maar is altijd verheven en verheugt zich innerlijk. Op deze wijze geniet de zelfverwerkelijkte een geluk zonder einde, want hij is verankerd in het Allerhoogste. (Bg. 5.21)

De meest eenvoudige en tegelijkertijd de belangrijkste en meest krachtige methode van toegewijde dienst in dit tijdperk, is het chanten van Gods Heilige Namen:
Hare Krishna Hare Krishna Krishna Krishna Hare Hare

Hare Rama Hare Rama Rama Rama Hare Hare
en het luisteren naar verhalen over Zijn spel en vermaak! Hier kan iemand direct mee beginnen.

Velen zijn van huis uit religieus en op zoek naar antwoorden op hun gerezen levensvragen vanuit een religieus perspectief Zeker zij die net met rampspoed te maken hebben gehad. De Bhagavad Gita verschaft alle antwoorden vanuit zo’n perspectief op een manier die zeer verhelderend en diepzinnig is, hoewel dat niet perse betekent dat iedereen direct blij wordt gemaakt. Sommige inzichten zullen best confronterend zijn en zullen misschien niet makkelijk te accepteren zijn.

Naast het filosofische begrip van deze wereld dat de Gita verschaft, is de inhoud door de hele geschiedenis heen ook zeer praktisch toepasbaar gebleken. Het kan mensen helpen om op een andere manier tegen het leven aan te kijken en om om te gaan met leed, doelstellingen in het leven, godsdienst, etc. Het ultieme praktische aspect wat de Gita behandelt is echter de beproefde methode van toegewijde dienst, die iemand terugbrengt aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Sri Krishna, waar wel gelukzaligheid wordt ervaren! Ook dit kan men praktisch gaan ervaren, door het chanten van de Hare Krishna Maha Mantra.


De Allerhoogste Heer, Isvara, is Krsna

avajananti mam mudha / manusim tanum asritam
param bhavam ajananto / mama bhuta-mahesvaram

mudhah—dwazen; avajananti—tonen oneerbiedigheid; mam—aan Mij; ajanantah—niet wetend; mama—Mijn; param—oppermachtige; bhavam—aard; asritam—welke beschutting heeft genomen; manusim—in een mensachtige; tanum—gedaante; (als) bhuta-maha-isvaram—de Allerhoogste Heer van alle wezens.

Wanneer Ik in Mijn mensachtige gedaante verschijn, zijn dwaze mensen met wereldse intelligentie oneerbiedig tegen Mij, omdat ze Mijn aard als de Allerhoogste Heer van alle wezens niet kunnen begrijpen.

Sarartha-varsini
Arjuna kan de volgende twijfel opwerpen: “Het klopt dat U niemand minder bent dan Karanodakasayi Mahapurusa, wiens gedaante uit sac-cid-ananda bestaat, die een onbeperkt aantal universums doordringt en die beroemd is om het scheppen van ieder universum door middel van Uw eigen natuur. Sommige mensen accepteren echter Uw oppermachtige positie niet, wanneer ze darsana hebben van Uw menselijke gedaante als de zoon van Vasudeva.” Om Arjuna’s twijfel weg te halen, spreekt Sri Bhagavan deze sloka die begint met avajananti mam. “Ze bespotten Mij enkel omdat ze de oppermachtige aard van Mijn mensachtige gedaante, wiens svarupa zelfs superieur is aan grote persoonlijkheden zoals Karanodakasayi Visnu, niet kennen.”
“Welk type svarupa?” Bhagavan antwoordt, “Ik ben bhuta-mahesvaram, de grote bestuurder van bhuta (brahma), die satya-svarupa is, de belichaming van waarheid. Met andere woorden, Ik ben parama-satya-svarupa, de belichaming van de hoogste waarheid.” Het Amara-kosa woordenboek definieert bhuta als een substantie die bedekt wordt door aarde (mukto ksmad avrte bhutam).
De Gopala-tapani sruti zegt, “Sri Govinda in Zijn sac-cid-ananda-vigraha speelt in de kunja’s van onsterfelijke bomen in Sri Vrndavana, en ik en de Marut deva’s (deva’s van de lucht) bevredigen Hem met grote lofuitingen.” In dit verband zegt Srimad-Bhagavatam (9.23.20): paramatma narakrtih. “De sac-cid-ananda natuur van Mijn menselijke gedaante wordt alleen verheerlijkt door Mijn zuivere bhakta’s die bedreven zijn in Mijn tattva, en die weten dat Ik het hele universum doordring in dit lichaam alleen. Dit werd waargenomen door Moeder Yasoda in Mijn kindertijd.”
De woorden param bhavam betekenen ook ‘het allerhoogste bestaan’ of ‘de zuivere transcendentale sac-cid-ananda gedaante’. In het Amara-kosa woordenboek worden de woorden bhava, svabhava en abhipraya als synoniemen gedefinieerd. Het woord parama-bhava (allerhoogste natuur) wordt ook op een meer specifieke manier beschreven als mama bhuta-mahesvaram. “Ik ben de Allerhoogste Bestuurder en de schepper van een massa wezens zoals Heer Brahma.” In tegenstelling tot de jiva’s is Mijn lichaam niet verschillend van Mij, Paramesvara. Dat wil zeggen, Ik ben inderdaad dat exact zelfde brahma. Sri Sukadeva Gosvami, die Mijn tattva kent, verklaart: “Hij vertoonde een lichaam dat alleen door de Veda’s gekend kan worden.” (Srimad-Bhagavatam 3.21.8). Daarom hebben personen zoals jij, Arjuna, vertrouwen in deze verklaring.”

Sarartha-varsini Prakasika-vrtti
Sri Krsna is de oorsprong van alle Visnu-tattva. Nirvisesa-brahma wordt in de Upanisads beschreven als de lichamelijke uitstraling van Krsna. Paramatma, die het hele universum doordringt, is Zijn gedeeltelijke expansie. Sri Narayana, de Heer van Vaikuntha, is Zijn spel en vermaak energie (svamsa-vilasa). Sri Krsna alleen is de oorsprong van alle avatara’s, de Bestuurder van alle bestuurders, en de enige Heer van alle universums. Hij is alwetend (sarva-jna), almachtig (sarva-saktiman) en zeer genadig (maha-karunika), en Hij kan alles doen simpelweg door het te willen. Dwaze mensen hebben echter geen eerbied voor Hem wanneer ze darsana hebben van Zijn prachtige mensachtige gedaante. Zulke dwaze mensen beschouwen de svarupa van Vasudeva-nandana of Yasoda-nandana als aards en sterfelijk, net zoals dat van een doodgewoon menselijk wezen. Ze stellen zich voor dat er een atma in Zijn lichaam zit, en dat die atma Paramatma is. Degenen die zo denken zijn dwaas, omdat sastra verkondigt dat Krsna’s lichaam sac-cid-ananda is, en dat er geen verschil is tussen Zijn lichaam en Hemzelf. Dit is evident uit de volgende quotaties van verschillende sastra’s:

1) om sac-cid-ananda-rupaya krsnaya (Gopala-tapani Upanisad 1.1)Ja, laat ons Sri Krsna, wiens gedaante doordrongen is van eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid, contempleren.
2) tam ekam govindam sac-cid-ananda-vigraham (sruti)Het is Hij alleen, Govinda, die een eeuwige, bewuste en gelukzalige gedaante heeft.
3) dvi-bhujam mauna-mudradhyam vana-malinam isvaram (sruti)
Terwijl Hij een slinger van woudbloemen draagt, speelt de Heer op Zijn fluit, en vormt op betoverende wijze de mauna-mudra met Zijn handen.
4) isvarah paramah krsnah sac-cid-ananda-vigrahah (Brahma-samhita 5.1)De Allerhoogste Heer, Isvara, is Krsna; Zijn gedaante is eeuwig, alwetend en gelukzalig.
5) apasyam gopam anipadyamanama (Rg-Veda 1.22, 1.66.31)Ik zag een jongen die verscheen in de dynastie van koeherders, en die nooit vernietigd wordt.
6) gudham param brahma manusya-lingam (Srimad-Bhagavatam 7.15.75)De Allerhoogste Heer wordt verborgen door Zijn aanvaarden van een mensachtige gedaante.
7) saksad gudham param brahma manusya-lingam (Srimad-Bhagavatam 7.15.15)Hij is direct het allerhoogste brahma, maar toch is Hij verborgen omdat Hij een menselijke gedaante heeft.
8) yatravatirno Bhagavan paramatma narakrtih (Srimad-Bhagavatam 9.23.20)…waarop de alvermogende Heer neerdaalde in de gedaante van een mens.

Sri Krsna Caitanya Mahaprabhu onderwees een brahmana uit Kasi dat Krsna’s gedaante en Krsna’s naam niet verschillend zijn. Zijn naam, gedaante en aard zijn allemaal sac-cid-ananda en zijn één in tattva. Er is geen verschil tussen Zijn lichaam en Zijn zelf, Zijn naam (nama) en de bezitter van Zijn naam (nami). Degenen die denken dat de sac-cid-ananda gedaante van Krsna van materiële aard is, zijn beledigend. Caitanya-caritamrta legt uit dat van al Krsna’s spel en vermaak, Zijn nara-lila het allerhoogste is. Zijn gedaante waarin Hij Zich als een koeherdersjongen kleedt, een fluit in Zijn hand draagt, en een jonge knaap is die gekleed gaat als een danser, is de opperste en zoetste gedaante van allemaal.

Srila Bhaktivinoda Thakura citeert Krsna als zeggend, “De essentie van Mijn verklaringen is dat Mijn svarupa sac-cid-ananda is, en dat Mijn sakti alle handelingen verricht door Mijn genade, hoewel Ik onafhankelijk van ze ben. Het komt enkel door Mijn genade dat Ik zichtbaar ben in dit aardse rijk, en dit is slechts een gevolg van Mijn yogamaya-sakti. Ik ben de volkomen transcendentale realiteit die alle aardse regels te boven gaat, en ook al ben Ik de personificatie van de bewuste realiteit (caitanya-svarupa), word Ik zichtbaar in deze materiële wereld door diezelfde svarupa te manifesteren. Maar menselijke wezens zijn geneigd om overrompeld te raken door iets wat van immense afmeting is. Zo is hun opvatting van de ongemanifesteerde staat van brahma. Dit komt door hun geconditioneerde intelligentie, maar die gedaante is niet Mijn param bhava (allerhoogste natuur). Mijn param bhava is dat Ik volledig alaulika (transcendentaal) ben. Hoewel Mijn mensachtige gedaante van middelmatige afmeting is, ben Ik middels Mijn sakti gelijktijdig allesdoordringend en kleiner dan het atoom. Mijn svarupa wordt gemanifesteerd door Mijn acintya-sakti (yogamaya). Degenen die dwaas zijn denken dat Mijn transcendentale sac-cid-ananda-murti menselijk is, en dat Ik gedwongen ben om dit materiele lichaam te aanvaarden door de wetten van de materiële natuur. Zij zijn niet in staat om te begrijpen dat Ik de bestuurder van alle wezens ben in deze exacte svarupa, deze prachtige, transcendentale mensachtige gedaante. Daarom, omdat ze een verkeerde opvatting hebben over de transcendentale realiteit (avidvat-pratiti), leggen zij Mij hun beperkte begrip over Mij op. Echter, degenen die vidvat-pratiti hebben ontwikkeld en ware toegang hebben tot Mijn transcendentie kunnen Mijn svarupa realiseren als de immerbestaande sac-cid-ananda-tattva.”

Bhagavad Gita Hoofdstuk 9 vers 10
Vertaling: Janaki Natha Das


 


Een Guru is noodzakelijk

Gesprek met Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada, waarin hij een vragenlijst beantwoordt van het Bhavan’s Journal. Dit gesprek vond plaats op 28 juni 1976.

Puṣṭa Kṛṣṇa: Mag ik u nog een vraag stellen, Śrīla Prabhu-pāda? ‘Is een spiritueel leraar essentieel voor iemand die zich op het spirituele pad wil begeven en het uiteindelijke doel wil bereiken? En hoe kan iemand zijn guru herkennen?’

Śrīla Prabhupāda: Ja, een guru is noodzakelijk. Toen Kṛṣṇa en Arjuna in de Bhagavad-gītā als vrienden praatten, kwamen ze niet tot een conclusie. Daarom besloot Arjuna om Kṛṣṇa als zijn guru te aanvaarden. Zoek dat vers eens op in de Bhagavad-gītā: kārpaṇya-doṣopahata svabhāvaḥ?

Hari Śauri:

kārpaṇya-doṣopahata svabhāvaḥ
pṛcchāmi tvaṁ dharma-sammūḍha-cetāḥ
yac chreyaḥ syān niścitaṁ brūhi tan me
śiṣyas te’haṁ śādhi māṁ tvāṁ prapannam

(Arjuna zei:) ‘Ik weet nu niet meer wat mijn plicht is en ben door een vrekkige zwakheid mijn evenwicht kwijt. In deze toestand vraag ik Je me met zekerheid te vertellen wat het beste voor me is. Ik ben nu Je leerling en geef me volkomen aan Je over. Alsjeblieft, onderricht me.’ (Bg. 2.7)

Śrīla Prabhupāda: Ja, een guru is dus noodzakelijk. Net als Arjuna is iedereen verward over wat hem te doen staat. Niemand kan zelf beslissingen nemen. Zelfs een dokter verzint niet zijn eigen behandeling als hij ziek is. Hij haalt er een andere dokter bij, omdat zijn eigen hersenen niet goed functioneren. Hoe kan hij zichzelf in zo’n situatie medicijnen voorschrijven?

Op dezelfde manier hebben we een guru nodig als we verward zijn en geen oplossing kunnen vinden. Daarom is het van het grootste belang dat iedereen zich aan een guru overgeeft, omdat we in ons huidige bestaan allemaal verward zijn. Arjuna vertegenwoordigt de verwarde positie van de materialistische persoon. Onder deze omstandigheden is een guru dus noodzakelijk om ons in de juiste richting te sturen.

Arjuna koos Kṛṣṇa als guru. Hij ging niet naar iemand anders, omdat hij dacht: ‘Op geen enkele andere manier kan ik rust vinden. Jij bent de enige.’ De betekenis hiervan is dat wij, net als Arjuna, Kṛṣṇa moeten aanvaarden als de guru die ons instructies geeft hoe we een eind kunnen maken aan onze verwarring. Kṛṣṇa is dus niet uitsluitend de guru van Arjuna, maar de guru van iedereen.

Als we het onderricht van Kṛṣṇa aanvaarden en volgen, is ons leven een succes. Onze missie is om dit op anderen over te brengen. Deze Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn onderwijst het volgende: ‘Aanvaard Kṛṣṇa als je guru. Laat je niet op andere gedachten brengen.’ We zeggen niet: ‘Ik ben Kṛṣṇa, volg mijn instructies.’ Dat is iets wat we nooit zullen zeggen. We vragen de mensen alleen: ‘Volg alstublieft het onderricht van Kṛṣṇa.’ Kṛṣṇa zegt: sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja (Bg. 18.66). En wij zeggen hetzelfde: ‘Laat alle andere ideeën van zogenaamd dharma varen en geef je over aan Kṛṣṇa.’ Dat is hetzelfde. Wij zeggen niet van onszelf dat we de autoriteit zijn. Nee. We zeggen: ‘Kṛṣṇa is de autoriteit en je moet je overgeven aan Zijn instructies en je moet proberen om Hem te begrijpen.’ Dat is de Gemeenschap voor Kṛṣṇa-be-wust-zijn.

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Kṛṣṇa is niet langer aanwezig, hoe kan ik me dan aan Hem overgeven?’ Is Kṛṣṇa niet langer aanwezig? Waarom niet? De instructies van Kṛṣṇa staan hier in de Bhagavad-gītā. Hoe kun je zeggen dat Kṛṣṇa niet aanwezig is? Kṛṣṇa is absoluut en daarom niet-verschillend van Zijn woorden. De woorden van Kṛṣṇa en Kṛṣṇa Zelf zijn identiek. Dat is de betekenis van de Absolute Waarheid.

In de relatieve wereld is er een verschil tussen het woord ‘water’ en de substantie water. Als ik dorst heb en enkel ‘water, water, water,’ zeg, zal mijn dorst niet gelest worden. Ik heb écht water nodig. Dat is het wezen van de relatieve wereld en van relatief bewustzijn. Maar in de spirituele wereld of in spiritueel bewustzijn zijn de naam en het object dat de naam draagt hetzelfde. We chanten bijvoorbeeld Hare Kṛṣṇa. Als Kṛṣṇa verschillend zou zijn van het chanten van Hare Kṛṣṇa, waarom zijn we dan tevreden met dag en nacht chanten? Dat is het bewijs. Als je een gewone naam reciteert zoals ‘Meneer Jansen, meneer Jansen, meneer Jansen’, dan hou je er na drie keer mee op. Maar al chant je deze Hare Kṛṣṇa mahā-mantra vierentwintig uur per dag, je zult er nooit moe van worden. Dat is de spirituele aard van de Absolute Waarheid. Dit is praktisch. Iedereen kan het ervaren.

Kṛṣṇa is dus aanwezig in Zijn woorden en in de vorm van Zijn vertegenwoordiger. Daarom adviseren we iedereen om het onderricht van Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā te aanvaarden en zich over te geven aan Zijn bonafide vertegenwoordiger. Je moet een guru aanvaarden, dus waarom zou je naar een namaak-guru gaan die je zal misleiden? Waarom zou je geen onderricht aanvaarden van een ware guru? Nu twijfel je eraan of een guru noodzakelijk is. Ja, een guru is noodzakelijk, maar je moet een echte guru benaderen. Dat is wat de Bhagavad-gītā onderwijst. Zoek dit vers eens op:

tad viddhi praṇipātena
paripraśnena sevayā
upadekṣyanti te jñānaṁ
jñāninas tattva-darśinaḥ

Puṣṭa Kṛṣṇa: ‘Probeer de waarheid te begrijpen door een spiritueel leraar te benaderen. Stel hem op een nederige manier vragen en wees hem dienstbaar. De zelfgerealiseerde zielen kunnen kennis aan je overdragen, omdat ze de waarheid hebben gezien.’ (Bg. 4.34)

Śrīla Prabhupāda: Dat is de ware guru: iemand die de waar-heid heeft gezien, net zoals Arjuna Kṛṣṇa zag. Arjuna hoorde het onderricht van Kṛṣṇa en zei: ‘Jij bent de Absolute Waarheid.’ Als je dus de instructies van Arjuna aanvaardt, zul je de Absolute Waarheid kunnen begrijpen. En wat is de instructie van Arjuna? Dat staat in het tiende hoofdstuk.

Puṣṭa Kṛṣṇa:

arjuna uvāca
paraṁ brahma paraṁ dhāma
pavitraṁ paramaṁ bhavān
puruṣaṁ śāśvataṁ divyam
ādi-devam ajaṁ vibhum

‘Arjuna sprak: Jij bent de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de allerhoogste verblijfplaats, de zuiverste, de Absolute Waarheid. Jij bent de eeuwige, transcendentale en oorspronkelijke persoon, de ongeborene, de grootste.’ (Bg. 10.12)

Śrīla Prabhupāda: En het Vedānta-sūtra (1.1.1) zegt: athāto brahma-jijñāsā — ‘Nu, in de menselijke levensvorm, is het tijd om navraag te doen naar het Allerhoogste Brahman.’ Hier in de Bhagavad-gītā realiseert Arjuna zich: ‘Oh Kṛṣṇa, Jij bent het Allerhoogste Brahman.’ Daarom zou je Arjuna tot je guru moeten maken en zou je ook Kṛṣṇa tot je guru moeten maken. Arjuna is de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa, de vriend van Kṛṣṇa. De guru is essentieel. Maar waarom zou je naar een namaak-guru gaan? Je zult misleid worden. Als je ziek bent moet je door een dokter behandeld worden. Maar daarvoor wil je natuurlijk wel een echte dokter hebben, niet een bedrieger die geen kennis heeft van de medische wetenschap en zich alleen maar voordoet als een gediplomeerd arts. Je zult dan bedrogen worden. Een guru is noodzakelijk, dat is een feit. Maar ga naar een echte guru. Wie is die echte guru? De echte guru is Kṛṣṇa of iemand die Kṛṣṇa gezien heeft, zoals Arjuna.


Wat is er aan de hand met de Wereld?

Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja

OP ZESTIEN FEBRUARI 1957 was er een bijeenkomst in de Bharatya Vidya waar een uitgelezen gezelschap van heren uit allerlei disciplines bovenstaande onderwerp besprak. Vrijwel geen van de sprekers was echter in staat aan te duiden wat het nu eigenlijk is dat de wereld er zo slecht doet uitzien.

Het is echter een goed teken wanneer men probeert een belangrijke stap te zetten waar het de toekomst van het leven betreft. Het is een aanzet om ons eens af te vragen waar de problemen van de wereld vandaan komen. Deze problemen zijn niets nieuws; ze zijn een constante factor in ons dagelijkse leven en ze doen zich nu eens in deze vorm, dan weer in een andere voor. Deze verscheidenheid aan problemen doen zich voor met betrekking tot onze geest en lichaam, tot onze omgang met andere levende wezens en tot de natuurlijke omstandigheden. De problemen, die ontstaan zijn het logische gevolg van het feit dat de wereld zo ontworpen is, dat ellende nooit uitblijft.

Problemen gedragen zich als een bosbrand. Deze ontstaat zonder dat er een levend wezen aan te pas komt; niemand die er om vraagt. Het vuur grijpt om zich heen en de levende wezens in het bos hebben problemen en soms gebeurt het dat veel dieren in het bos sterven in een dergelijke ravage. Er is geen brandweer in het bos of op de top van een berg en er is geen hoop om het vuur door mensenhulp te blussen. De natuur, die het vuur had aangestoken, zal het echter ook weer blussen door hevige stortbuien. Aan dergelijke onbuigzame en strenge natuurwetten valt niet te tornen; het menselijk brein met al zijn mogelijkheden heeft er geen zeggenschap over.

Een verstandig mens met een enigszins ontwikkeld bewustzijn begrijpt dat wetten niet zomaar uit de lucht komen vallen en dat het intelligente brein van een wetsontwerper erachter schuilgaat. Welnu, achter alle natuurwetten staat de Allerhoogste Wetsontwerper, de Allerhoogste Persoonlijkheid. In de Bhagavad-gita wordt ons daarom de informatie verschaft dat natuurwetten onoverkomelijk zijn. Maar degen die zich aan God overgeeft, kan ze toch overwinnen. Als wetsontwerper kan een koning, als hij dat wil, een wetsovertreder zijn zonden vergeven. Dit wordt `op voorspraak van de koning’ genoemd. De koning zelf echter kan nooit iets verkeerds doen, ook al overtreedt hij soms zijn eigen wet. Dat is wat de gewone man in de dagelijkse wereld ervaart en het is ook van toepassing op de Allerhoogste Wet.

Natuurwetten zijn als een politieoptreden door de dienaren van God. Zij die teveel in de ban zijn van de uiterlijke schoonheid van aardse zaken en die ervan willen genieten zonder de Schepper te erkennen, worden demonen genoemd. De wetten van de natuur zijn onverbiddelijk gericht op misdadigers, maar niet op de degenen die zich aan de wet houden. Vandaar dat het beste antwoord op de vraag: ‘Wat is er aan de hand met deze wereld?’ moet zijn dat mensen demonen zijn geworden door Gods wetten te overtreden en zo gestraft worden door de strafmaatregelen van de materiële natuur. Dat is het oordeel van de Geschriften en dat is wat we dagelijks ondervinden.

In het zestiende hoofdstuk van de Bhagavad-gita wordt de demonische wetsovertreder duidelijk beschreven; dat soort lieden wordt door God gestraft, maar ook onderhouden. De menselijke beschaving kan op twee manieren worden bestuurd. Het ene soort beschaving draagt er toe bij dat mensen een goddelijk ideaal nastreven en in de andere beschaving zijn de mensen net wilde beesten uit de jungle en maken ze van deze wereld een plaats die onbewoonbaar is voor mensen.

Het menselijk wezen wordt wel gezien als een rationeel dier. Wanneer de rationaliteit vernietigd is, blijft er niets over dan een gewoon dier. Het verschil tussen mens en dier is dat de mens boven de dierlijke neigingen staat. Het dier in de mens vraagt om voedsel, onderdak, bescherming en zinsbevrediging. Wat betreft deze vier principes komen mens en dier overeen. Maar er is nog iets, speciaal bedoeld voor het menselijk wezen namelijk: Godsbewustzijn.

Dit Godsbewustzijn schittert door zijn afwezigheid in het leven van een dier, terwijl het in iedere mens latent aanwezig is, zelfs bij de meest primitieven onder ons. Het Godsbewustzijn kan zich in diverse beschavingen ontwikkelen, al naar gelang de tijd, de plaats en de betreffende persoon. Dit Godsbewustzijn wordt Religie genoemd of de Cultuur van het Leven, zonder welke de beschaving geen stand kan houden.

Vandaag de dag probeert men Godsbewustzijn te vermijden door een kunstmatige methode van de materiële wetenschap en een krachtig atheïsme. Betrouwbare bronnen weten ons te melden dat ambtenaren van een atheïstische staat plaatselijke boeren hadden gevraagd om hen te aanbidden omdat zij meer brood zouden verschaffen dan God de Vader. Zo werden arme dorpsbewoners het slachtoffer van propaganda en begonnen zij hun geloof in God te verliezen, omdat ze aanvaard hadden dat het brood door de politici gegeven werd en niet door God.

Deze arme slachtoffers van zulke propaganda begrepen niet dat de broden die de politici leverden niet afkomstig waren van de vader van de politici, maar dat deze in feite geschonken werden door God. De politici gebruikten graan om broden van te bakken en graan komt er niet zonder zon en de genade van God in de vorm van regen. En zonder gehoorzaamheid aan God is regen niet mogelijk. Wie brood eet zonder God dankbaar te zijn, is een demoon en voor dergelijke demonen zijn er natuurwetten die hen straffen. De tijd is nabij dat er geen graan meer op het land staat en geen enkele politicus zal dan meer in staat zijn om snel broden tevoorschijn te halen. Het voedsel-probleem is al ernstig.

Met het toenemen van het materialisme heeft de beschaving meer en meer te lijden. Zulke voorspellingen kunnen we vinden in het Srimad-Bhagavatam. Hoe meer de mensen zich naar het atheïsme keren, des te meer zullen zich verstorende elementen aan ons voordoen. En dat is wat er tegenwoordig aan de hand is. Dit is het type beschaving dat verkeerd bezig is.


Het Zuiveringsproces – Samskara’s

Alle eer aan Sri Srimad Bhaktivedanta Svami Maharaja!

Vraag: Voor alle beschaafde mensen vanaf hun geboorte tot hun dood zijn er verschillende samskara ‘s of zuiveringsceremonies voorgeschreven. Vele van dezesamskara ‘s worden vandaag de dag niet meer nageleefd. Zouden ze weer ingevoerd moeten worden?

Shrila Prabhupada: Het ware doel van samskara ‘s* is om een dwaas naar het niveau van kennis te brengen. Janmana jayate shudrah: bij geboorte is iedereen gelijk —shudra. Met andere woorden, men heeft geen kennis. Het doel van samskara ‘s is dus om iemand die geen kennis van spiritueel leven heeft, geleidelijk naar het spirituele niveau te brengen. Er wordt gezegd: samskarad bhaved dvija —met behulp van de zuiveringsprocessen kan men een spirituele wedergeboorte bereiken. Dat is van het grootste belang.

Het menselijk bestaan biedt de mogelijkheid te begrijpen wat men is en wat het doel van het leven is. Het doel van het leven is terug te keren naar huis, naar God. Uiteindelijk zijn wij een deel van God, maar op een of andere manier bevinden we ons nu in dit materiële bestaan. Het ware levensdoel is dus om terug te keren naar de spirituele wereld, waar geen gevecht om het bestaan plaatsvindt —een gelukzalig, tevreden leven. We willen een eindeloos gelukzalig leven, maar in de materiële wereld is dat niet mogelijk. Dat geluk bevindt zich in de spirituele wereld. Het is dus ons doel om daarheen te gaan en ieder mens zou die kans moeten krijgen. Dat is de ware opleiding. Dat wordt samskaragenoemd, het zuiveringsproces.

Alles tezamen zijn er dasa-vidha-samskara, tien soorten zuiveringsprocessen. In dit tijdperk is het erg moeilijk ze te volgen, maar indien men zonder enige overtreding de Hare Krishna-maha-mantra chant onder leiding van de spiritueel leraar, zullen al deze samskara ‘s vanzelf worden uitgevoerd en zal men terugkeren naar zijn oorspronkelijke, spirituele positie.

Aham brahmasmi — ‘Ik ben een spirituele ziel.’ Wij zijn dus Brahman, spirituele energie en Krishna is Param Brahman, de Allerhoogste spirituele energie. Zoals Arjuna zei:parambrahma param dhama pavitram paramam bhavan — ‘U bent de Allerhoogste Spirituele Energie, de uiteindelijke woning, de zuiverste, de Absolute Waarheid.’ Krishna is Brahman, spirituele energie, en ook ik ben Brahman. Hij is echter de Allerhoogste Brahman, terwijl ik slechts begrensd Brahman ben. Daarom is het mijn taak Krishna te dienen. Dat is de leer van Heer Caitanya: jivera ‘svarupa’ haya krishnera Nitya-dasa’ — ‘De ware identiteit van het levend wezen is dat hij de eeuwige dienaar van Krishna is.’ Als men zich dus bezighoudt met zijn oorspronkelijke, spirituele zaken en handelt als dienaar van Krishna, zullen alle processen voor zuivering en hervorming worden uitgevoerd.

Die kans om zich opnieuw bezig te houden met onze oorspronkelijke spirituele zaken wordt in dit tijdperk kosteloos weggegeven: kirtanad eva krishnasya mukta sangah param vrajet — ‘Men kan spirituele verlossing bereiken enkel door de heilige namen van de Heer te chanten.’ De hervormingsprocessen, de samskara ‘s, zijn bedoeld om iemand te zuiveren, zodat hij mukta-sangah wordt, verlost van het slechte gezelschap van het materiële bestaan en geschikt om terug te keren naar huis, terug naar God. Dat is het bijzondere voordeel van het chanten van de Hare Krishna-maha-mantra.

De vraag was: ‘Zouden de zuiveringsprocessen weer ingevoerd moeten worden?’ Ze moeten zo veel mogelijk weer worden ingevoerd, maar in dit tijdperk kunnen ze niet allemaal worden ingevoerd. Daarom moeten mensen de Hare Krishna-maha-mantra chanten. Dan zal alle hervorming vanzelf komen en zullen de mensen het spirituele niveau bereiken — brahma-bhutah, Brahman-realisatie. Vervolgens prasannatma: ze zullen gelukkig zijn. Na socati na kanksati: er zal geen leed of nodeloos verlangen meer zijn.Samah sarvesu bhutesu: ze zullen iedereen op het spirituele niveau zien. En uiteindelijk:mad-bhaktim labhate param. Op deze wijze zullen ze het niveau van toegewijde dienst bereiken en hun leven zal succesvol worden.

Vraag: U zegt dat de samskara’s zoveel mogelijk weer ingevoerd moeten worden?

Shrila Prabhupada: De essentiële dingen. Bijvoorbeeld hoe we iemand tot brahmana kunnen maken. Hierbij zijn deze vier zaken van belang: geen ongeoorloofde seks, geen vlees eten, geen bedwelmende of opwekkende middelen, geen gok- en kansspelen. Die essentiële dingen moeten er zijn, je kunt niet zonder. Je moet op zijn minst de zondige activiteiten vermijden. Dan kan iemand Krishna-bewustzijn beoefenen. Zoals Krishna in de Bhagavad-gita (7.28) zegt:

yesam tv anta-gatam papam
jananam punya-karmanam
dvandva-moha-nirmukta
bhajante mam drdha-vratah

`Zij die in vorige levens en in dit leven vroom gehandeld hebben en van wie de zondige activiteiten volledig zijn vernietigd, worden bevrijd van de dualiteiten van verblinding, waarna ze Mij vastberaden dienen.’

Als je een toegewijde wilt worden moet je je zondige activiteiten opgeven. Daarom moet je beginnen met die vier principes te volgen en verboden activiteiten te vermijden. Je dient zondige handelingen als ongeoorloofde seks, het eten van vlees, gokken en het gebruiken van bedwelmende middelen, tabak, koffie en thee inbegrepen, te vermijden. Dan zul je geleidelijk aan volledig vrij van zonden worden. Deze principes worden de pilaren van het toegewijde leven genoemd. Het volgen van deze leefregels is geen doel op zich, maar is noodzakelijk voor het ontwikkelen van essentiële kwalitietien die kenmerkend zijn voor een toegewijde, namelijk: mededogen, eerlijkheid, reinheid-kuisheid en soberheid. Aan de ene kant moet je beperkingen volgen en aan de andere kant moet je devotionele dienst verrichten. Door devotionele dienst te verrichten volgens de instructie van de spiritueel leraar en de shastra kan men op het transcendentale niveau blijven.

Het transcendentale niveau houdt in dat er geen zondige handelingen meer zijn. Het bevindt zich boven alles wat `zondig’ is. Er is alleen spraken van `vrome’ en ‘zondige’ activiteiten zolang men zich op het materiële niveau bevindt. ‘Goed’ en ‘slecht,’ `vroom’ en ‘zondig’ — dit zijn allemaal overwegingen die bij het materiële niveau horen. Maar wanneer je je op het transcendentale niveau bevindt, ben je automatisch vrij van zonde. Krishna bevestigt dit in de Bhagavad-gita (14.26):

mam ca yo’ vyabhicarena
bhakti-yogena sevate
sa gunan samatityaitan
brahma-bhuyaya kalpate

Het zondige en het vrome leven bevinden zich beide in deze materiële wereld, maar wanneer men spirituele activiteiten verricht, bevindt men zich boven het materiële niveau en op het spirituele niveau.

Waar het dus op neerkomt is dat wanneer je de Hare Krishna maha-mantra chant en deze zondige handelingen opgeeft, je automatisch wordt hervormd. Je bereikt dan het spirituele niveau. Op deze wijze zal je leven succesvol worden.

* De 10 belangerijkste samskara’s:
1. Garbhadhana: het verwekken van een kind;
2. Simantonnayana: het scheiden van het haar;
3. Jata-karma: familietraditie bij de geboorte;
4. Nama-karana: het geven van een naam;
5. Anna-prasana: de eerste keer granen eten;
6. Cura-karana: het scheren van de geboorteharen;
7. Vidyarambha: leren van het alfabet;
8. Upanayana: initiatie
9. Vivah: huwelijk
10. Antyesti: crematie.


Ware eigenbelang van de mens

Hare Krsna,
Een toegewijde kan om materiële zegeningen vragen, maar Heer Krsna geeft hem niet zulke zegeningen, ondanks de gebeden van de toegewijde. Daarom worden mensen die erg gehecht zijn aan het materiële leven over het algemeen geen toegewijden van Krsna of Visnu. In plaats daarvan worden ze toegewijden van de devata’s (kamais tais tair hrta-jnanau prapadyante ‘nya-devatau [B.G. 7.20]). De zegeningen van de devata’s worden echter veroordeeld in de Bhagavad-gita. Antavat tu phalam tesam tad bhavaty alpa-medhasam [B.G. 7.23]: “Mensen met weinig intelligentie aanbidden de devata’s, en hun vruchten zijn beperkt en tijdelijk.” Een non-Vaisnava, iemand die zich niet bezighoudt met dienst aan de Allerhoogste Godspersoon, wordt beschouwd als een dwaas met een beperkte herseninhoud.
—Srimad Bhagavatam, 6.9.50, betekenis, van Srila A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada

Is materieel gewin een Zegening of Vergif?
Er zijn twee soorten mensen: krpana’s en brahmana’s. Een brahmana is iemand die Brahman, de Absolute Waarheid, kent en dus weet wat zijn werkelijke belang is. Maar een krpana is iemand met een materiële, lichamelijke levensbeschouwing. Een krpana weet niet hoe hij zijn leven als mens of als devata moet benutten en hij is aangetrokken tot de dingen die door de geaardheden der materiële natuur zijn geschapen. De krpana’s, die er altijd op uit zijn om materiële vooruitgang te boeken, zijn dwazen, terwijl de brahmana’s, die altijd geestelijke vooruitgang willen maken, intelligent zijn. Als een krpana, die zijn eigenbelang niet kent, zo dom is om iets materieels te vragen, is degene die hem dat geeft ook een dwaas. Maar Krsna is geen dwaas; Hij is de allerintelligentste. Als iemand naar Krsna toekomt en Hem om iets materieels vraagt, geeft Krsna het hem niet, maar schenkt hem in plaats daarvan intelligentie zodat hij zijn materiële verlangens vergeet en gehecht raakt aan Zijn lotusvoeten. Ofschoon de krpana Heer Krsna om materiële bidt, neemt de Heer in dergelijke gevallen zo iemand al zijn materiële bezittingen af, en geeft hem het gezonde verstand om een toegewijde te worden. In het Caitanya-caritamrta (Madhya 22.39) verklaart de Heer:
ami—vijna, ei murkhe ‘vinaya’ kene diba?
sva-caranamrta diya ‘vinaya’ bhulaiba

“Aangezien Ik zeer intelligent ben, waarom zou Ik deze dwaas dan materiële voorspoed schenken? In plaats daarvan zal Ik hem ertoe brengen om de nectar van de bescherming van Mijn lotusvoeten te aanvaarden, en hem het illusoire materiële genot doen vergeten.”

Als men God oprecht bidt om materieel bezit in ruil voor toegewijde dienst, bewijst de Heer, die niet zo dwaas is als een onintelligente toegewijde, hem een speciale gunst door hem al zijn materiële bezittingen af te nemen en hem geleidelijk de intelligentie te geven om alleen voldaan te zijn met de dienst die hij aan Zijn lotusvoeten bewijst. Srila Visvanatha Cakravarti Thakura merkt in dit verband op dat als een dwaas kind zijn moeder vraagt om hem vergif te geven, de moeder, die intelligent is, zal dat zeker niet doen. Een materialist weet niet dat het aannemen van materiële bezittingen hetzelfde is als vergif nemen, omdat het betekent dat men steeds weer geboren moet worden en sterven. Een intelligent mens, een brahmana, streeft naar bevrijding uit het materiële gevangenschap. Dat is het ware eigenbelang van de mens.

—Srimad-Bhagatavam, 6.9.49, betekenis, van Srila A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada, vertaald door Hayesvara Prabhu


Het doden van onze moeder: een kenmerk van beschaving?

Het volgende is een gesprek tussen Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja en Professor John Mize. Dit gesprek vond plaats in Los Angeles op 23 juni, 1975.

Professor Mize: Als de Heer alle kwaliteiten heeft, betekent dit dat Hij zelfs jaloezie kent?

Srila Prabhupada: Alles.

Professor Mize: Het is moeilijk om je een jaloerse Krishna voor te stellen.

Srila Prabhupada: Ja.

Professor Mize: Waar zou hij bijvoorbeeld jaloers of afgun­stig op kunnen zijn?

Srila Prabhupada: Je kunt over welke kwaliteit dan ook spreken, of dat nu woede is of welke andere emotie dan ook — God heeft het in een grotere hoeveelheid en in een perfecte hoeveelheid. Dat is de idee van God, zonder enige… hoe

heet dat ook alweer?

Professor Mize: Onvolmaaktheid.

Srila Prabhupada: Onvolmaaktheid, ja.

Professor Mize: Ik hoop dat Hij mijn onwetendheid niet in zo’n enorme hoeveelheid heeft.

Srila Prabhupada: Maar onwetendheid is niet iets wat wezenlijk of werkelijk bestaat.

Professor Mize: Woede en jaloezie wel?

Srila Prabhupada: Ja, woede is soms actief. Als je niet boos wordt, kun je ook niet vechten.

Discipel: In de vedische literatuur zijn er veel verhalen over de woede van Krishna; van zijn prilste babyjaren tot aan zijn latere leven.

Srila Prabhupada: Ja.

Discipel: De daden van Krishna zijn altijd goed.

Professor Mize: Rechtvaardige woede.

Discipel: Ja, spirituele woede.

Srila Prabhupada: Alles heeft zo zijn nut. In de mate­riële toestand beseffen we dat niet. Daarom heeft Narottama Dasa Thakura een lijst gemaakt: hoe je je woede kunt gebruiken, en je hebzucht — op die manier. Hij zegt: kamah krsna-karmarpane — we hebben het sterke verlangen om iets te doen voor ons eigen zin­genot, maar hetzelfde verlangen, dezelfde neiging, kan gebruikt worden om Krishna te dienen.

Ik schrijf bijvoorbeeld boeken en blijf ‘s nachts laat op, de hele nacht. Voor een oude man als ik is dat vervelend. Maar ik doe het voor Krishna. Op dezelfde manier zal een andere schrijver misschien de hele nacht opblijven om sekslectuur te schrijven. De moeite die het je kost om sekslectuur te maken en de moeite om het Bhagavatam te vertalen is hetzelfde. Het kan dezelfde ambitie zijn: ‘Ik zal een groot auteur worden. Ik zal beroemd worden. Maar het een wordt gedaan voor Krishna en het ander voor zingenot.

De neiging om een beroemd schrijver te worden, of de moeite die dat kost, is dus hetzelfde, maar het wordt gebruikt voor verschillende doeleinden. Op dezelfde manier kun je elke andere kwali­teit nemen. Hanuman werd bijvoorbeeld kwaad op de demon Ravana. Hij stak zijn stad in brand. Hij vernietigde de hele stad. Hanuman toonde zijn woede, maar niet voor zijn eigen zingenot; hij wilde Heer Rama dienen. Sita, de echtgenote van Rama, was door Ravana ontvoerd en daarom werd er gevoch­ten, en Hanuman ontstak daarbij het vuur. Het is niet goed je huis of land in brand te steken, maar hij deed het om Heer Ramacandra tevreden te stellen.

Alles heeft dus zijn eigen nut wanneer het gebruikt wordt om Krishna te dienen. Dat is Krishna-bewustzijn. We zijn levende wezens. We zijn bewust. We kunnen niks opgeven. Maar we worden getraind hoe we alles kunnen gebruiken voor Krishna. Dat is Krishna-bewustzijn.

Discipel: Srila Prabhupada heeft een boek geschreven over verschillende filosofen. Prabhupada bespreekt hierin waar hun ideeën aansluiten op Krishna-bewustzijn en waar hun ideeën tekortschieten.

Professor Mize: Ik zie er naar uit het te zien.

Discipel: Srila Prabhupada, spreekt u in dit boek over de filosofie van Kant? Zoals u weet is hij erg populair.

Srila Prabhupada: Ja, Kant is erg populair. Ik heb ook filosofie gestudeerd. In mijn studententijd waren al mijn professoren Europeanen. Ik studeerde aan het Scottish Church’s College, in Kolkata (Calcutta). Dr. W.S. Urquhart was onze professor voor psychologie en metafysica. Later werd hij de rector magnificus van de Universiteit van Calcutta. Een heel aardige gentleman.

Discipel: Srila Prabhupada, professor Mize merkt dat hij onder de douche een beetje Hare Krishna chant. Als hij een douche neemt, chant hij een beetje.

Srila Prabhupada: (lachend) In Berkeley, tijdens de eerste dagen van onze beweging, schreef een verslaggever: ‘Na het bezoek aan de universiteit en voor een paar minuten ‘Hare Krishna’ gehoord te hebben, ging ik naar huis en chantte ik de hele weg ‘Hare Krishna, Hare Krishna: Dat was zijn verslag.

Discipel: Veel geleerden hebben het er moeilijk mee om zich te realiseren dat enkel door het chanten van Hare Krishna…

Srila Prabhupada: Ja, het is zo fijn en zo makkelijk.

Discipel: …je tot het hoogste filosofische besef kunt komen —   enkel door Hare Krishna te chanten.

Professor Mize: Mijn dank hiervoor, Uwe Goddelijke Genade.

Srila Prabhupada: Neem deze heerlijke prasadam.

Professor Mize: (begint te eten) Dit is heerlijk!

Srila Prabhupada: Krishna heeft zo veel lekkere dingen gegeven. Waarom zouden we arme dieren doden? Dat is niet goed. Er is geen spirituele visie: samah sarvesu bhutesu

—   het besef dat elk levend wezen gelijk is aan mijzelf, als een spirituele ziel, eenintegrerend deeltje van God. Tegen­woordig is de doorsnee mens geen brahmana. Ze zeggen dat dieren geen ziel hebben en gebruiken dat als een excuus om hen te doden. Hoezo ‘dieren hebben geen ziel’?

Discipel: Maar Prabhupada, soms zeggen mensen dat vegetariërs ook groenten doden.

Srila Prabhupada: Dat is okay. Groenten leven ook. Maar wij doden ze niet. Als je een bloesem plukt, is de struik niet gedood. Als je een vrucht neemt, dood je daarmee nog niet de boom. Als je granen oogst, zijn ze al dood. Dan pas kun je de granen oogsten. Er is geen sprake van doden. Maar zelfs als we doden, dan zou het niet zo moorddadig zijn als het doden van een koe.

Waarom wordt een mens opgehangen door de staat als hij een ander mens doodt? Zo iemand kan pleiten: ‘Maar er worden elke dag zo veel dieren gedood; als ik een mens dood, wat is daar dan verkeerd aan?’ De straf is er omdat `je een heel belangrijk dier hebt gedood:

In de Bhagavad-gita vinden we daarom de woorden krsi-go-raksya: de koe moet beschermd worden, omdat ze een zeer belangrijk dier is. In feite heeft Heer Krishna het niet over andere dieren. Ook spreekt hij niet over ‘alle dieren: Hij zegt ‘koeien, omdat de koe zo ontzettend belangrijk is. Zij geeft je melk, dat zulk belangrijk voedsel is. Ze is je moeder — en u doodt uw moeder? Is dat beschaving? Je moeder doden?

`Mijn moeder is oud; mijn moeder geeft niet langer melk. Doodt haar: Wie heeft daarvoor zijn goedkeuring gegeven? Onze oude moeder zou juist meer bescherming moeten krijgen. Wat is dit voor een beschaving — onze moeder doden? In de ochtend hebben we meteen melk nodig, en onze moeder geeft het aan ons. En als ze niet meer in staat is het te geven: ‘doodt haar? Wat is dat voor een filosofie?

Discipel: Srila Prabhupada, ik legde dit simpele idee tijdens een gesprek op een universiteit uit en een man zei: ‘Dat is slechts jouw sentiment’ Ik vroeg hem of hij een hond had. En hij zei: ‘Ja’ Daarna vroeg ik hem: ‘Als uw hond oud wordt, zul je haar dan doden?’ En toen zei hij: ‘Nee, waarom zou ik haar doden? Het is een goede hond.’

Srila Prabhupada: In deze beschaving is de hond goed en de koe slecht. De hond laat onaangename overblijfselen achter, terwijl de koe zo zuiver is dat het wetenschappelijk bewezen is dat zelfs haar uitwerpselen zuiver en antisep­tisch zijn — toch moet ze gedood worden.

Geleerden en filosofen zouden daarom het belang van deze beweging moeten inzien en zouden moeten begrijpen hoe nuttig ze is. Mensen lijden omdat ze geen kennis hebben van de spirituele ziel. Met hun zogenaamde onderwijs houden ze zichzelf op het niveau van dieren. Behalve wan­neer er spiritueel begrip is, heeft het zogenaamde onderwijs van mensen geen enkele waarde. Harav abhaktasya kuto mahad-guna / manorathenasati dhavato bahih: ze zullen op het mentale niveau blijven, en omdat hun geest nu materi­eel besmet is, zullen ze op het materiële niveau blijven. Ze kunnen geen enkele vooruitgang maken. Men moet op het spirituele niveau komen. Dat is noodzakelijk.

Discipel: Srila Prabhupada, wat is het kenmerk waaruit men kan opmaken dat men het spirituele niveau bereikt heeft?

Srila Prabhupada: Dat heb ik al uitgelegd. Prasannatma na socati na kanksati/ samah sarvesu bhutesu: je bent gelukza­lig, zonder ergens naar te hunkeren en zonder geweeklaag en je ziet dat alle levende wezens spirituele zielen zijn, gelijk aan jezelf. Personen die op het mentale niveau zijn, zullen tegenwerpen dat het dier geen ziel heeft.


Acintya-bhedabheda: Eenheid…met een verschil

Alle eer aan Tridandisvami Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja! Alle eer aan Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja!

Vervolg vraag gesprek dat plaats vond op 28 juni 1976 met Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja, waarin hij vragen beantwoordt van het Bhavan’s Journal.

Pushta Krishna: DE VOLGENDE VRAAG is zeer interessant, Srila Prabhupada. ‘Is het voor alle soorten spiritualisten — zoals de Advaita-vedantisten [voorstanders van de eenheid van het zelf en God], Dvaita-vedantisten [voorstanders van de filosofie dat het zelf en God volledig verschillen], of Visishtadvaita-vedantisten [voorstanders van de gekwalificeerde eenheid van het zelf en God] — niet mogelijk om samen te komen in plaats van geïsoleerde, strijdende groepen te blijven?’

Srila Prabhupada: Ja. Dat is wat Caitanya Mahaprabhu heeft onderwezen: de Dvaita-vedantisten en Advaita-vedantisten op hetzelfde niveau brengen. Iedereen moet begrijpen dat hij in essentie een dienaar van God is. De Advaita-vedantist denkt ten onrechte dat hij volledig één is met God, dat hij zelf God is. Dat is fout. Hoe kan iemand God worden? God is sad-aisvarya-purnam, in het bezit van zes volheden. Hij bezit alle kracht, alle rijkdom, alle schoonheid, alle roem, alle kennis en alle onthechting. Daarom is het idee van de Advaita-vedantisten een gekunsteld idee — denken dat je één kunt worden met God.

De Dvaita-vedantisten zeggen nadrukkelijk dat men volkomen verschillend is van God, dat God geschei­den is van het levend wezen. Maar uit de Bhagavad-gita begrijpen we dat het levend wezen een klein deel­tje is van God. En in de veda’s staat, nityo nityanam cetanas cetananam: zowel God als Zijn schepsels zijn levende wezens, hoewel God de belangrijkste is. Eko yo bahunam vidadhati kaman: het verschil tussen de twee is dat God alle andere levende wezens in stand ­houdt. Dat is een feit. Wij worden instand gehouden en God is de instandhouder. Wij worden overheerst — we zijn niet onafhankelijk — en God is de overheerser. Maar omdat de overheerste levende wezens deeltjes van God zijn, zijn ze kwalitatief één met God.

Sri Caitanaya Mahaprabhu’s filosofie is acintya-bhedabheda: de levende wezens zijn tegelijkertijd één met en verschillend van de Heer. Het levend wezen is één, omdat het een deeltje is van God. Als God dus van goud zou zijn, dan zou het levend wezen ook van goud zijn. Dat is kwalitatieve eenheid. Maar God is groot en wij zijn nietig. In dat opzicht zijn wij verschillend. Daarom verkondigde Caitanya Mahaprabhu deze filosofie van acintya-bhedabheda: onvoor­stelbaar gelijktijdig één zijn met en verschillend zijn van God. Dat is ware filosofie.

Op het niveau van filosofie kunnen ze, zolang ze redelijk zijn, dus alle­maal samenkomen. Als ze onredelijk blijven door vast te houden aan hun eigen gefabriceerde filosofie, dan zal het moeilijk zijn. Maar het is een feit dat het levend wezen eeuwig één met en verschillend van God is. Zoek dit vers eens op: mamaivamso jiva-loke.

Hari-sauri:

mamaivamso jiva-loke jiva-bhutah sanatanah manah sasthanindriyani prakrti-sthani karsati

`De levende wezens in deze wereld van gebondenheid zijn Mijn eeuwi­ge, afzonderlijke deeltjes. Door hun geconditioneerde bestaan zijn ze ver­wikkeld in een hevige worsteling met de zes zintuigen, waarvan de geest er één is.’ (Bg. 15.7)

Srila Prabhupada: Als het levende wezen dus eeuwig een afzonderlijk deeltje is, hoe kan het dan een wor­den met het geheel? Een deel is nooit gelijk aan het geheel; dat is vanzelf­sprekend. Het is een misvatting om te proberen één te worden met God. De mayavadi ‘sproberen één te wor­den met God, maar dat is onmoge­lijk. Laat ze proberen om goddelijkte worden. Goddelijk betekent ‘dienaar van God’. Zo zullen ze volmaakt worden. Devaishnava-filosofie leert dat we onze natuurlijke positie kun­nen behouden door als een dienaar van God te handelen. Dat is vol­maakt. Maar als de dienaar probeert meester te worden, dan is dat niet natuurlijk.

Natuurlijk lijkt het in de spirituele wereld vaak alsof er geen verschil bestaat tussen de meester en de die­naar. Zo zijn Krishna’s vrienden, de koeherdersjongens, zich er bijvoor­beeld niet van bewust dat Krishna God is. Ze spelen met Hem als gelij­ken. Wanneer Krishna tijdens het spelen wordt verslagen, moet Hij Zijn vriend op de schouders nemen en hem dragen. De vrienden hebben er geen idee van wie God is en wie niet. Dat is een gevorderd stadium van spiritueel inzicht. Natuurlijk bestaat er altijd een verschil tussen God en het deeltje, het levend wezen, maar onder invloed van Gods interne vermogen, wordt die kennis verbor­gen gehouden. We kunnen die positie bereiken na vele, vele levens van vrome activiteiten. Dat staat in het Srimad-Bhagavatam (10.12.11):

ittham satam brahma-sukhanubhutya dasyam gatanam para-daivatena mayasritanam nara-darakena sakam vijahruh krta-punya-punjah

De koeherdersjongens spelen met Krishna. En wie is Krishna? Hij is de essentie vanbrahma-sukha, spiritu­ele gelukzaligheid. Hij is de Param Brahman, de Allerhoogste Ziel. De jongens spelen dus met Param Brahman, hoewel een gewoon mens hem voor een gewoon kind aanliet. Hoe hebben de koeherdersjongens de positie verkregen, waarin ze in staat zijn met Krishna te spelen? Krta-punya-punjah: Na vele, vele levens van vroom handelen, zijn ze op het niveau gekomen waarop ze met Krishna spelen als gelijken.

Dit is het concept van zuivere devo­tionele dienst: wanneer je naar Goloka Vrindavana, Krishna’s woning, gaat, heb je Krishna zo lief, dat je geen verschil ziet tussen de Allerhoogste Heer en Zijn onderge­schikten. De liefde die de inwoners van Krishna’s woning voor Krishna hebben is onwankelbaar. Dat is het leven in Vrindavana. De koeien, de kalveren, de bomen, de bloemen, het water, de oudere mannen, Krishna’s ouders Nanda Maharaja en Yasodamayi — iedereen is zeer gehecht aan Krishna. Krishna is het centrum van ieders leven. Iedereen houdt zo veel van Krishna, dat ze niet weten dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is.

Soms zien de inwoners van Vrindavana Krishna’s wonderbaar­lijke activiteiten en denken: `Krishna moet een of andere halfgod zijn, die hierheen is gekomen.’ Ze herkennen Krishna nooit als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods — en als ze dat wel doen, zorgt Krishna ervoor dat ze dat onmiddel­lijk vergeten. Toen Krishna zo’n vijfduizend jaar geleden Zijn activi­teiten van vermaak op aarde mani­festeerde, belandde Hij in vele gevaarlijke situaties — er kwamen zo veel demonen — en moeder Yasoda zong dan mantra’s om Krishna te beschermen. Ze dacht: ‘Er moet Hem geen ellende overkomen.’ Krishna’s familie en vrienden had­den niet het besef dat Krishna God is. Hun natuurlijke liefde voor Krishna was zo intens.

Daarom is het leven in Vrindavana zo verhe­ven. Zoals Caitanya Mahaprabhu heeft onderwezen, aradhyo bhagavan vrajesa-tanayas tad-dhama vrndavanam: allereerst is Krishna — Vrajendra-nandana, de zoon van Nanda Maharaja — aradhya,vererenswaardig. Vervolgens, tad-dhama vrndavanam: Zijn dhama of woon­plaats, Vrindavana, is net zo vererenswaardig.

Deze feiten hebben betrekking op een hoger niveau van kennis. Alleen een toegewijde begrijpt dat één wor­den met God niet een subliem idee is. In Vrindavana willen de toegewijden de vader of moeder van God worden — God besturen door liefde. Demayavadi’s of de Advaita-vedantisten kunnen dit feit niet begrijpen. Uitsluitend zuivere toegewijden kunnen deze dingen begrijpen. Wat voor nut heeft het om één te worden met God?

Zelfs andere vaishnava-filosofieën kunnen niet uitleggen wat de hoge­re relaties met God zijn, zoals die door Caitanya Mahaprabhu werden uitgelegd. Het zijn vatsalya-rasa[ouderschap], en madhurya-rasa [amoureuze liefde] . Caitanya Mahaprabhu onderwijst vooral dat onze relatie met Krishna er een kan zijn van amoureuze liefde, madhurya-rasa.

Maar voor ons algemeen begrip introduceerde Heer Caitanya de filosofie van acintya-bhedabheda —gelijktijdig één zijn met en ver­schillend zijn van de Heer. Dat wordt door Krishna uiteengezet in de Bhagavad-gita (15.7): mamai-vamso jiva-bhutah — de levende wezens zijn een integrerend deeltje van God. We zijn dus één met God, omdat we de eigenschappen van God in een nietige hoeveelheid bezitten. Maar God is de heer en wij zijn altijd ondergeschikt. Eko bahunam yo vidadhati kaman: wij wor­den beschermd, wij worden onder­houden, wij worden overheerst. Dat is onze positie. Wij kunnen niet de positie van overheerser innemen. Dat is niet mogelijk.


Beschaving betekent het Volgen van Regels

Alle eer aan Tridandisvami Sri Srimad Bhaktivedanta Narayana Gosvami Maharaja! Alle eer aan Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja!

Vervolg vraag gesprek dat plaats vond op 28 juni 1976 met Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja, waarin hij vragen beantwoordt van het Bhavan’s Journal.

Vraag: ‘Zijn vasten en andere dieetregels noodzakelijk voor een spiritueel leven?’

Srila Prabhupada: Zeker. Zulke tapasya [ascese] is zeer belangrijk als we vooruitgang willen maken in spiritueel leven. Tapasya betekent het vrijwillig aanvaarden van iets dat pijnlijk kan zijn. Zo raden wij bijvoorbeeld aan geen ongeoorloofde seks te hebben, geen verdovende of opwekkende middelen te gebruiken, niet te gokken en geen vlees te eten. Voor degenen die gewend zijn aan deze slechte gewoonten kan het in het begin wat moeilijk zijn, maar ondanks dat moet men het doen. Dat is tapasya. ‘s Ochtends vroeg opstaan —voor degenen die het niet gewend zijn, is het wat pijnlijk, maar het moet gedaan worden. Volgens de vedische geschriften zijn er dus sommige tapasya’s die gedaan moeten worden.

Er is geen sprake van ‘Misschien doe ik het of misschien ook niet.’ Deze ascese moet gedaan worden. Zo geeft de Mundaka Upanisad de opdracht dat iemand die zelfrealisatie wil bereiken een spiritueel leraar moet benaderen: tad-vijn-anartham sa gurum evabhigac-cet. (Mundaka Upanisad 1.2.12) Het is dus niet ‘naar eigen keuze’ — het moet gedaan worden. En men moet de opdrachten van de spiritueel leraar en van de shastra, de heilige teksten, uitvoeren. Als je volgt zonder erbij stil te staan of het goed of slecht uitkomt, gewoon omdat het gedaan moet worden, wordt dat tapasya genoemd. Tapo divyam: net zoals de andere grote spirituele autoriteiten adviseert Rsabhadeva dat dit menselijk bestaan bedoeld is voor ascese die tot Godsrealisatie leidt. Daarom zijn er zo veel regels in onze vedische beschaving.

Aan het begin van het leven moet iemand brahmacari [celibatair student] zijn. Hij moet naar de woning van de spiritueel leraar gaan en dienen. Als de spiritueel leraar zegt: ‘Haal wat hout in het bos’, dan mag de student het bevel van de spiritueel leraar niet weigeren, zelfs al is hij een koningszoon. Hij moet gaan. Zelfs Krishna werd door Zijn spiritueel leraar bevolen droog hout te halen in het bos en moest dus gaan. Ook al was Nanda Maharaja Zijn vader, een vaisya-dorpskoning, en ook al was Krishna de Persoonlijkheid Gods, toch kon Hij niet weigeren. Hij moest gaan. Nicavat — net als een dienaar. Dat is brahmacarya, het studentenbestaan in spiritueel leven. Dit is tapasya. Tapasya is zo belangrijk dat men het moet doen. Er is geen sprake van een alternatief.

Na het brahmacari-leven mag men trouwen. Dit betekent dat men het grhastha-leven ingaat, het leven van een getrouwd persoon. Ook dat is tapasya. Hij mag geen seks hebben wanneer hij wil. Nee. De heilige teksten zeggen: `Seks moet je op de volgende manier beoefenen: één keer per maand en uitsluitend om kinderen te krijgen.’ Ook dat is tapasya. Vandaag de dag volgen mensen geen tapasya meer. Maar het menselijk bestaan is bedoeld voor tapasya — regulerende principes. Zelfs in dagelijkse bezigheden, bijvoorbeeld wanneer je voor belangrijke zaken met je auto ergens naartoe rijdt en een rood stoplicht ziet. Je moet stoppen. Je kunt niet zeggen: ‘Ik moet ergens binnen een paar minuten zijn. Ik moet doorrijden.’ Nee. Je moet stoppen. Dat is tapasya.

Tapasya betekent dus het strikt volgen van regels, in navolging van een hogere opdracht. En dat is het menselijk bestaan.

Het dierenbestaan houdt daarentegen in dat je kunt doen wat je wilt. Op straat kunnen dieren rechts houden, of links; het doet er niet toe. Als ze zich niet aan de regels houden, wordt dat niet als een overtreding gezien, omdat het dieren zijn. Als een mens zich echter niet aan de regulerende principes houdt is hij zondig. Hij zal gestraft worden. Neem hetzelfde voorbeeld. Als het stoplicht op rood staat en je stopt niet, wordt je gestraft. Als een kat of hond echter een overtreding maakt — ‘Vergeet dat rode licht, ik loop door’ — dan wordt hij niet gestraft. Tapasya is dus bedoeld voor mensen. Men moet het doen als men vooruitgang wil maken in zijn leven. Het is essentieel.

Vraag: En tapasya houdt dus ook in voorschriften met betrekking tot voedsel, Srila Prabhupada?

Srila Prabhupada: Ook dat is tapasya. Het eten van vlees verbieden we bijvoorbeeld. In jullie land is dat een beetje lastig. Vanaf het begin van zijn leven raakt een kind er aan gewend vlees te eten. De moeder koopt vlees in poedervorm, mengt het met vloeistof en geeft het aan haar kind. Ik heb het gezien. Bijna iedereen is opgegroeid met het eten van vlees. Toch zeg ik: ‘Eet geen vlees.’ Daarom is het lastig. Als iemand echter serieus zelfrealisatie wil bereiken, moet hij het gebod opvolgen. Dat is tapasya.

Tapasya heeft betrekking op onze eetgewoonten, op ons persoonlijk gedrag, op de manier waarop we met anderen omgaan enzovoort. In ieder onderdeel van het leven is er tapasya. Dat wordt allemaal beschreven in de Bhagavad-gita. Mentale tapasya, lichamelijke tapasya, verbale tapasya — de beheersing van vaco-vegam, de behoefte om zomaar te zeggen waar je zin in hebt. Je kunt niet zomaar onzin uitkramen. Als je praat, moet je over Krishna praten. Dat is tapasya. Er is ook tapasya in verband met krodha-vegam, de behoefte tot het uiten van woede. Als iemand kwaad wordt en hij dit wil uiten door iemand te slaan of iets zeer gewelddadigs te doen, zal tapasya hem daarvan weerhouden. ‘Nee, doe het niet.’ Er is ook tapasya met betrekking tot de tong, de buik en de geslachtsdelen. Je kunt niet zomaar eten wat je wilt en wanneer je dat maar wil. Je kunt evenmin seks hebben wanneer je wil. Dit kan alleen in overeenkomst met de geschriften. ‘Ik heb zin in seks, maar ik mag er niet aan toegeven. Dit is niet het juiste moment.’ Dat is tapasya.

Men moet tapasya dus op alle mogelijke manieren beoefenen — in lichaam, geest, woord, persoonlijk gedrag en in zijn omgang met anderen. Dat is het menselijk bestaan. Tapo divyam: om enkel een mens te zijn — maar vooral als je vooruitgang in spiritueel leven wilt maken —moet je handelen volgens de vedische geschriften. Dat is de betekenis van tapasya. Voordat Brahma aan de schepping kon beginnen, moest hij eerst tapasya ondergaan. Staat dat niet in de shastra? Ja. Daarom is tapasya essentieel. Je kunt er niet omheen.

En wat is het doel van tapasya? Het doel is de Allerhoogste tevreden te stellen via de spiritueel leraar. Yasya prasadad bhagavat-prasado: ‘Men kan de genade van de Heer slechts bereiken door de genade van de spiritueel leraar.’ Dat is het idee.

Wie onderwijst er in de hedendaagse onderwijsinstellingen nog deze tapasya? Waar is die school of dat college? De leerlingen roken zelfs in het bijzin van hun leerkrachten en dat wordt gedoogd. Geen overtreding. Wat kun je nou verwachten van zulke leerlingen? Dit is een samenleving van dieren. Dit is geen menselijke samenleving. Geen tapasya, geen brahmacari-leven. Werkelijke beschaving houdt in: tapo divyam, goddelijke ascese. Deze tapasya begint bij het brahmacari-bestaan, leren de zintuigen te beheersen — dat is het begin van het leven. Niet `ABC’-kennis en een karakter dat misschien nog lager is dan dat van een dier. Maar je hebt een universitaire graad… ‘Het maakt niet uit, want je bent een geleerd man.’ Nee, dat is onaanvaardbaar.
Zelfs vanuit het oogpunt van eenvoudig moreel onderricht moeten we ons afvragen: ‘Wie is er vandaag de dag geleerd?’ Canakya Pandita beschrijft een geleerd persoon als volgt:

matr-vat para-daresu / para-dravyesu lostra-vat
atma-vat sarva-bhutesu / yah pasyati sa panditah

`Een geleerd man ziet andermans vrouw als zijn moeder en andermans eigendom als onrein vuil. Hij ziet alle anderen als gelijk aan zichzelf.’ Dat is de pandita, de geleerde.

In de Bhagavad-gita (5.18) beschrijft Krishna de pandita:
vidya-vinaya-sampanne / brahmane gavi hastini suni caiva sva-pake ca / panditah sama-darsinah

`Omdat ze werkelijke kennis hebben, beschouwen de nederige wijzen een geleerde, eerbiedwaardige brahmana, een koe, een olifant, een hond en een hondeneter [kasteloze] als gelijk.’
Dat is een geleerd man. Niet iemand met een diploma. Van iemand met een diploma maar zonder tapasya of karakter, zegt Krishna dat hij mayayapahrta-jnana is: `Zijn kennis is gestolen door illusie.’ Hoewel hij zo veel heeft geleerd, heeft maya zijn kennis toch weggenomen. Hij is een dwaas. Hij is een dier. Dat is het standpunt van de vedische beschaving.


Bhakti Yoga – De Weg Van Het Hart

Met commentaar van
A.C. BHAKTIVEDANTA SWAMI PRABHUPADA

Bhagavad-gita 6.47

Sri Krishna vertelt Arjuna,
“En van alle yogi’s is hij die zich vol vertrouwen voortdurend in Mij bevindt, die altijd aan Mij denkt en Mij transcendentale liefdedienst (bhakti) bewijst, het innigst met Mij in yoga verbonden en de beste van allemaal. Dat is Mijn mening.”

Commentaar: Het woord ‘bhajate’ is hier belangrijk. De wortel van het werkwoord ‘bhajate’ is bhaj, dat gebruikt wordt wanneer er een noodzaak bestaat tot dienen. Het woord ‘aanbidden’ betekent niet hetzelfde als bhaj en kan niet op dezelfde manier worden gebruikt. ‘Aanbidden’ betekent ‘vereren’ of respect en eer betuigen aan een waardig persoon. Maar die- nen met geloof en liefde is speciaal bedoeld voor de Allerhoogste Per- soonlijkheid Gods. Men kan het nalaten om een respectabel persoon of een halfgod (devi/devta) te aanbidden en men kan dan onbeleefd worden genoemd, maar niemand kan het nalaten om de Allerhoogste Heer te dienen zonder volledig te worden verdoemd. Ieder levend wezen is een integrerend deel van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en ieder levend wezen is er daarom door zijn wezenlijke positie voor bedoeld om de Allerhoogste Heer te dienen. Doet men dit niet, dan komt men ten val. Het Bhagavatam (11.5.3) bevestigt dit als volgt:

‘Iedereen die de oorspronkelijke Heer, de oorsprong van alle levende wezens, niet dient en zijn plicht aan Hem verwaarloost, zal zeker vanuit zijn wezenlijke positie ten val komen.’

In dit vers wordt ook het woord ‘bhajanti’ gebruikt. Bhajanti heeft daarom alleen betrekking op dienst aan de Allerhoogste Heer, terwijl het woord ‘aanbidden’ betrekking kan hebben op halfgoden of welk ander gewoon levend wezen dan ook. Het woord ‘avajananti’ dat in het vers uit het Bhagavatam werd gebruikt, is ook in de Bhagavad-gita te vinden: ‘Alleen dwazen bespotten de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Krishna.’ Zulke dwazen schrijven commentaren op de Bhagavad-gita zonder een houding van dienstbaarheid te hebben tegenover de Heer. Als gevolg daarvan kunnen ze niet goed het onder- scheid maken tussen de woorden ‘bhajanti’ en ‘aanbidden’.

Het hoogtepunt van alle yogamethoden is bhakti-yoga. Alle andere yoga’s zijn alleen middelen om tot bhakti te komen in bhakti-yoga. Yoga betekent eigenlijk bhakti-yoga; alle andere yoga’s zijn stappen in de rich- ting van bhakti-yoga. Het is een lange weg naar zelfrealisatie vanaf het begin van karma-yoga tot het eind, bhakti-yoga. Karma-yoga, handelen zonder gehechtheid aan de resultaten, is het begin van dit pad. Wanneer karma-yoga verrijkt wordt met kennis en onthechting, wordt dat niveau jñana-yogagenoemd. Wanneer jñana-yoga verrijkt wordt met mediteren op de Superziel door verschillende lichamelijke methoden en wanneer de geest op Hem geconcentreerd is, dan wordt dat asthanga-yoga genoemd. Wanneer iemand vervolgens het niveau van asthanga-yoga ontstijgt en tot Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, komt, dan wordt dat bhakti-yoga genoemd, de hoogste vorm van yoga. Feitelijk is bhakti-yoga het uiteindelijke doel, maar om bhakti-yoga in detail te analyseren, moeten de andere yoga’s ook begrepen worden. De yogi die vooruitgang maakt, bevindt zich daarom op het ware pad van eeuwige voorspoed. Iemand die op een bepaald punt blijft steken en geen vooruitgang meer maakt, wordt genoemd naar de naam van dat onderdeel: karma-yogi, jñana-yogi of dhyana-yogi, raja-yogi, hatha-yogi enz. Wanneer iemand het geluk heeft om tot het punt van bhakti-yoga te komen, is hij boven alle andere yoga’s uitgestegen. Krishna-bewust worden is daarom het hoogste niveau van yoga, net zoals wanneer we over de Himalaya’s spreken, we het over de hoog- ste bergen van de wereld hebben, waarvan de hoogste bergtop, de Mount Everest, beschouwd wordt als het hoogste punt.

Wie zeer fortuinlijk is, komt tot Krishna-bewustzijn en situeert zich volgens de instructies in de vedische literatuur op de juiste manier op het pad van bhakti-yoga. De ideale yogi richt zijn aandacht op Krishna, die Shyamasundara wordt genoemd, die even mooi gekleurd is als een regenwolk, van wie het lotusgezicht straalt als de zon, van wie de kleding fonkelt van de juwelen en die bloemenkransen draagt. De brahmajyoti, Zijn prachtige uitstraling, schittert en verlicht alles om Hem heen. Hij incarneert in verschillende gedaanten, zoals Rama, Nsiˆha, Varaha en Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; Hij daalt neer als een menselijk wezen, als de zoon van moeder Yasoda en staat bekend als Krishna, Govinda en Vasudeva. Hij is het perfecte kind, de perfecte echtgenoot, vriend en meester en Hij is volkomen in alle volheden en transcendentale kwaliteiten. Wanneer iemand zich voortdurend volledig bewust is van deze eigenschappen van de Heer, wordt hij de hoogste yogi genoemd.

Deze toestand van de hoogste volmaaktheid kan alleen door bhakti-yoga bereikt worden, en dit wordt in de hele vedische literatuur bevestigd: ‘Alleen aan die grote zielen die een onvoorwaardelijk geloof hebben in zowel de Heer als de spiritueel leraar, wordt de betekenis van de vedische kennis vanzelf geopenbaard.’ (Shvetasvataraupanisad6.23) ‘Bhakti betekent devotionele dienst aan de Heer, vrij van het verlangen naar materiële winst, zowel in dit leven als in het volgende. Vrij van deze neigingen, moet men zijn geest volledig op de Allerhoogste concentreren. Dat is de betekenis van nais-karmya.’ (Gopala-tapani Upanisad, Purva 15)

Dit zijn enkele methoden om bhakti of Krishna-bewustzijn te beoefenen, dat het hoogste en het perfecte niveau van de yogamethode is.

 


De Allerhoogste Van Alle Yogi’s

Bhagavad-gita Śloka 47

yoginam api sarvesam / mad-gatenantaratmana
sraddhavan bhajate yo mam / sa me yuktatamo matah

api—echter; sarvesam—onder alle; yoginam—van de yogi’s; sraddhavan—iemand begiftigd met geloof; mad-gatena—door zichzelf aan Mij te hechten; antar-atmana—via zijn geest; yah—wie; mam—Mij; bhajate—aanbidt; sah—hij; (is naar) me—Mijn; matah—mening; (het) yuktatamah—meest innig verbonden in yoga.

Hij wie voortdurend met volledig geloof Mijn bhajana verricht, altijd uitsluitend aan Mij denkend in zichzelf, is naar Mijn mening de allerhoogste van alle yogi’s.

 

Sarartha-varsini

“Is er dan niemand die superieur is aan de yogi?” In antwoord op deze vraag zegt Sri Bhagavan, “Zeg dat niet,” en vervolgens spreekt Hij deze sloka die begint met yoginam. Het woord yoginam staat in de zesde naamval, maar eigenlijk moet men het zien als in de vijfde naamval. In de vorige sloka staan de woorden tapasvibhyo jnanibhyo ‘dhikah in de vijfde naamval. Evenzo dient het hier gezien te worden als yogibhyah, ‘de bhakta is zelfs superieur aan de yogi’. “”Mijn bhakta is niet alleen superieur aan een soort yogi, maar aan alle soorten, of ze nu yogarudha, gevestigd in samprajnata-samadhi, zijn, of gevestigd in asamprajnata-samadhi.”

De strekking van het woord yoga is dat het het middel is voor karma, jnana, tapa, bhakti enzovoorts. “Onder zulke yogi’s zijn degenen die Mij met bhakti aanbidden Mijn toegewijden en de beste van alle sadhaka’s.”

Karmi’s, tapasvi’s en jnani’s worden ook geaccepteerd als yogi’s, maar een astanga-yogi is superieur aan ze. “Een bhakti-yogi echter, die zich bezighoudt met het horen en reciteren over Mij, is het allerhoogst.” Zoals gezegd wordt in Srimad-Bhagavatam (6.14.5):

muktanam api siddhanam / narayana-parayanah
sudurlabhah prasantatma / kotisv api maha-mune

“O maha-muni, onder miljoenen mukta’s en siddha’s, is een vredig persoon die toegewijd is aan Sri Narayana zeer zeldzaam.”

In de volgende acht hoofdstukken zal bhakti-yoga worden beschreven. Deze sloka, welke de sutra is van die hoofdstukken, is als een sieraad dat de halzen van de bhakta’s tooit. In het Eerste Hoofdstuk van Bhagavad-gita, het kroonjuweel van alle sastra, is er een synopsis gegeven van de tekst. In de Tweede, Derde en Vierde Hoofdstukken, wordt niskama-karma uitgelegd. In het Vijfde Hoofdstuk wordt jnana beschreven en het Zesde Hoofdstuk beschrijft yoga. Deze zes hoofdstukken beschrijven echter voornamelijk karma (actie).

 

Zo eindigt de Bhāvānuvāda van de Sārārtha-Varñini Tīkā,
door Śrīla Viśvanātha Cakravarti Thākura, op het Zesde Hoofdstuk van
Śrīmad Bhagavad-gītā, welke plezier schenkt aan de bhakta’s
en aanvaard wordt door alle heilige personen.

 

Sarartha-varsini Prakasika-vrtti

Aan het einde van dit hoofdstuk heeft Bhagavan Sri Krsna categorisch verklaard dat een bhakti-yogi superieur is aan alle andere yogi’s. Srila Bhaktivinoda Thakura geeft als volgt een speciale uitleg van deze sloka:

“Onder alle soorten yogi’s, is de beoefenaar van bhakti-yoga superieur. Iemand die Mijn bhajana met geloof verricht is de beste der yogi’s. Onder rechtvaardige, gereguleerde menselijke wezens, zijn de niskama-karmi, de jnani, de astanga-yogi en de beoefenaar van bhakti-yoga allemaal yogi’s, daar waar de sakama-karmi dat niet is. In feite is yoga eenn, en niet twee. Yoga is een groeiend pad waarop er verschillende stappen zijn. Beschutting nemend van dit pad, plaatst de jiva zich op het pad van brahma realisatie. Niskama-karma-yoga is de eerste stap. Wanneer jnana en vairagya worden toegevoegd, wordt het jnana-yoga, wat de tweede stap is. Wanneer dhyana, in de vorm van meditatie op Isvara, wordt toegevoegd aan jnana-yoga, wordt het astanga-yoga genoemd, wat de derde stap is. En wanneer priti, genegenheid voor Bhagavan, wordt toegevoegd aan deze derde stap van astanga-yoga, dan is dat bhakti-yoga, de vierde stap.

Al deze stappen bij elkaar gevoegd vormen de ene traptrede die yoga wordt genoemd. Teneinde deze yoga duidelijk uit te leggen, zijn alle andere gedeeltelijke soorten van yoga beschreven. Terwijl hij geleidelijk aan vordert op deze ladder, raakt hij eerst standvastig op de trede waar hij zich op bevindt, en daarna klimt hij op naar de volgende trede. Maar iemand die zich vastklampt aan een specifieke trede, nadat hij zichzelf alleen in dat type yoga heeft gevestigd, kent men onder de naam van die specifieke yoga. Om die reden staat een iemand bekend als een karma-yogi, iemand bekend als een jnana-yogi, een iemand bekend als astanga-yogi en een ander als een bhakti-yogi.

“Daarom, O Partha, is iemand wiens allerhoogste doel alleen het verrichten van bhakti aan Mij is de allerhoogste onder alle yogi’s. Je zou dat soort yogi moeten worden, namelijk, je zou een bhakti-yogi moeten worden.”

 


Wat is Krishna-Bewustzijn?

Uit een met de hand geschreven dagboek van Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Maharaja

Krishna-bewustzijn betekent helder bewustzijn.

Materieel bestaan betekent wazig bewustzijn.

Het lichaam als het zelf zien, betekent wazig bewustzijn.

Men moet eerst zichzelf te begrijpen, alvorens vooruitgang te maken in Krishna-bewustzijn.

De natuurlijke positie van het levend wezen is die van eeuwige dienaar van Krishna, of God. God, of Krishna, betekent de Allerhoogste Persoon en de Allerhoogste oorzaak van alle oorzaken.

Het vergeten van onze relatie met God, of Krishna, is het begin van wazig bewustzijn.

De vedische geschriften zijn er om het oorspronkelijke heldere bewustzijn van het levend wezen weer op te wekken.

De vedische geschriften zijn de volgende: a. De vier Veda’s; b. de Upanisads (waarvan er minstens 108 zijn); c. de Vedanta filosofie; d. de 18 Purana ‘s; e. de Ramayana (de originele van Valmiki); f. de Mahabharata en g. ieder boek dat deze grondbeginselen volgt.

De Bhagavad-gita is een onderdeel van de Mahabharata.

De oorspronkelijke Veda is de Atharva-veda, die later in vieren werd gedeeld, zodat men de verschillende onderdelen apart kan begrijpen.

De Mahabharata wordt de vijfde Veda genoemd en is bedoeld voor de minder intelligente klasse mensen, die meer van geschiedenis houden dan van filosofie.

De Bhagavad-gita maakt onderdeel uit van de Mahabharata en is de essentie van alle vedische kennis voor de minder intelligente klasse van mensen in dit tijdperk.

De Bhagavad-gita wordt de bijbel van de hindoes genoemd, maar is in werkelijkheid is het de bijbel voor de gehele mensheid.

In the Bhagavad-gita worden de volgende onderwerpen besproken:
a. wat is een levend wezen;
b. een levend wezen is niet het lichaam, maar een spirituele ziel;
c. deze ziel zit gevangen in een stoffelijk lichaam;
d. het lichaam is onderhevig aan geboorte,dood, ouderdom en ziekte;
e. de spirituele ziel is eeuwig en kent geen geboorte en evenmin dood, maar blijft zelfs na de vernietiging van het stoffelijke lichaam bestaan;
f. het levend wezen verhuist van het ene lichaam naar het andere. Maar het kan dit proces stopzetten en een eeuwig gelukzalig leven vol kennis verwerven door middel van Krishna-bewustzijn.

Wat is God? a. God is een persoon. Hij is de leider van alle andere verschillende personen, namelijk: de devi- en devta’s, mensen, dieren, vogels, insecten, bomen en waterdieren.
b. Al deze levende wezens zijn zonen van God en zijn daarom alle dienaren van God.


Hoe kan spirituele kennis worden verkregen?

tad viddhi pranipatena / pariprasnena sevaya
upadeksyanti te jnanam / jnaninas tattva-darsinah

viddhi—je moet begrijpen; tat—deze kennis; pratipatena—door ter aarde geworpen eerbetuigingen te brengen aan de guru die instructies geeft over jnana; pariprasnena—door essentiële onderzoeken op elk vlak; sevaya—door toegewijde dienst te leveren; jnaninah—degenen die kennis bezitten; tattva-darsinah—die de Absolute Waarheid hebben gezien; upadeksyanti—zal openbaren; jnanam—die kennis; te—aan jou.

Verkrijg deze jnana door ter aarde geworpen eerbetuigingen te brengen aan een guru die bovenzinnelijke kennis overbrengt, door essentiële vragen aan hem te stellen en dienst te leveren aan hem. De tattva-darsi, die deskundig zijn in de betekenissen van de sastra, en de jnani’s, die de Absolute Realiteit hebben gerealiseerd, zullen je verlichten met die jnana.

Sarartha-varsini
Hoe kan deze kennis worden verkregen? Sri Bhagavan spreekt deze sloka beginnendde met tad-viddhi om deze informatie te geven. Nadat men dandavat-pranams heeft aangeboden aan een guru die instructies geeft over transcendentale kennis, dient men als volgt achter de feiten proberen te komen: “Aho Bhagavan! (Gurudeva wordt hier aangesproken als Bhagavan omdat hij asraya Bhagavan is, de allerhoogste vergaarplaats van liefde voor Bhagavan, en omdat de sad-guru eigenschappen van Bhagavan heeft), waarom ben ik hier in deze materiële omstandigheden? Hoe kan ik ervan verlost raken?” men moet hem tevreden stellen door seva en door paricarya, zorgen voor zijn persoonlijke behoeftes. Er wordt ook gezegd in de sruti’s:

tad-vijnanartham sa gurum evabhigacchet
samit-panih srotriyam brahma-nistham

Mundaka Upanisad 1.2.12

Om jnana van Sri Bhagavan te verwerven, dient men een guru te benaderen die de ware betekenis van de Veda’s kent door samidh (het brandhout van subliem geloof) als een offering aan hem te dragen.

Sarartha-varsini Prakasika-vrtti
Hier beschrijft Sri Krsna bhagavat-tattva-jnana als uitermate zeldzaam en moeilijk te begrijpen. Het kan alleen begrepen worden door de genade van een maha-purusa die een tattva-jnani is, iemand die de Waarheid kent, en meer specifiek een tattva-darsi, iemand die de Waarheid gerealiseerd heeft. Oprechte sadhaka’s zouden bij zo’n maha-purusa navraag moeten doen over deze tattva en hem plezieren door dandavat pranamas aan te bieden, door ter zake doende vragen te stellen en door dienst aan hem te leveren.
Pranipatena betekent het toegenegen brengen van pranama’s met acht of vijf ledematen van het lichaam. Pranama of namaskara betekent het opgeven van het valse ego en neerbuigen. Seva betekent hier het leveren van bevorderlijke dienst voor het plezier van de guru. Deze sloka beschrijft twee symptomen van een guru die bovenzinnelijke kennis verleent; hij is zowel een jnani als een tattva-darsi. Iemand die sastra heeft bestudeerd en de kennis die erin staat heeft begrepen wordt een jnani genoemd, terwijl een tattva-darsi een maha-purusa is die directe realisatie heeft van tattva.
Personen die onvolledige kennis bezitten hebben geen directe realisatie van tattva en tat-padartha. De instructies van zulke ongerealiseerde personen werpen geen vruchten af. Alleen de instructies van een maha-purusa zijn vruchtdragend. Srimad-Bhagavatam (11.3.21) zegt ook: tasmad gurum prapadyeta jijnasuh. Srila Visvanatha Cakravarti Thakura geeft het volgende commentaar op deze sloka: “Om opperste voorspoed en eeuwig welzijn te kennen, dienen sadhaka’s de beschutting te aanvaarden van een guru die deskundig is in sabda-brahma (de betekenissen van Vedische sastra), die parabrahma heeft gerealiseerd, en die geen materiële gehechtheden heeft. Als hij niet deskundig of goed op de hoogte is van sabda-brahma, zal hij niet in staat zijn om de twijfels van zijn discipels te verdrijven en zullen ze het vertrouwen in hem verliezen. Als een guru geen directe realisatie van parabrahma heeft, komt zijn genade niet volledig tot bloei, noch zal het het hoogste resultaat opbrengen. Het woord upasamasraya (11.3.21) verwijst hier naar de guru die begiftigd is met realisatie van parabrahma. Dit betekent dat hij niet wordt be¡nvloed door lust, woede, hebzucht, etc., omdat hij geen materiële gehechtheden heeft.”
Dit wordt verder opgehelderd in Srimad-Bhagavatam (11.11.18):

sabda-brahmani nisnato / na nisnayat pare yadi
sramas tasya srama-phalo / hy adhenum iva raksatah

Beschutting nemen van een guru die deskundig is in kennis van sabda-brahma, Maar verstoken is van parabrahma realisatie, is als het beschermen van een onvruchtbare koe. Het is nutteloze arbeid en men bereikt geen bovenzinnelijk resultaat.

Bhagavad-gita verklaart dat Sri Krsna de Allerhoogste Transcendentale Realiteit is. Er zijn mensen die zeggen dat het woord tat in deze sloka naar de jiva verwijst, maar zo’n opvatting is volkomen onjuist omdat het de volgende sloka tegenspreekt. In Vedanta-darsana wordt ook gezegd: anyarthas ca paramarsah (Brahma-sutra 1.3.20). Het woord tat verwijst naar paramatma-tattva-jnana.

© 2014 Bhagavad Gita Seminar