De Glories van Hoofdstuk Zes van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Vishnu zei, “Nu zal Ik je de glories van het zesde hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita vertellen. Wie deze beschrijving ook maar hoort, zal bevrijd worden van de materiële wereld.

Aan de oever van de Godavari rivier ligt een prachtige stad genaamd Pratisthanpur (Paithan), waar Ik bekend sta onder de naam van Pippalesh. In die stad leefde een koning genaamd Janashruti, van wie de mensen heel erg hielden en wiens kwaliteiten ongelimiteerd waren. Hij verrichtte dagelijks vuuroffers, die zo weelderig en groot waren dat de rook die er van af kwam de Hemelse tuin van genot die bekend staat als Nandanvan bereikte, en de blaadjes van de Kalpavrksa bomen zwart maakten. Het leek erop alsof die bomen hun eerbied aan het betuigen waren aan koning Janashruti. Vanwege de vrome activiteiten van die grote koning verbleven de halfgoden altijd in Pratisthanpur.

Wanneer Janashruti iets in liefdadigheid gaf, verdeelde hij het net zoals de wolken de regen verspreiden. Vanwege de zuivere religieuze activiteiten van Janashruti, viel de regen altijd op het juiste moment. En de velden, die niet verstoord werden door de zes soorten knaagdieren, stonden altijd vol met gewassen.  Hij was altijd putten en meren aan het graven voor het welzijn van de burgers. De halfgoden waren erg tevreden met Janashruti en gingen in de vorm van zwanen naar zijn paleis om hem te zegenen. Ze vlogen door de lucht, de ene na de andere, en waren samen aan het praten. Bhadrashva, samen met twee of drie andere zwanen, vlogen vooruit op de anderen. Op dat moment zeiden de andere zwanen tegen Bhadrashva, “O Broeder, waarom ben je op ons vooruit aan het vliegen? Zie je de grote koning Janashruti, die zo machtig is dat hij zijn vijanden naar wens tot as kan verbranden, niet recht voor je?” Toen Bhadrashva de woorden van de andere zwanen hoorde, begon hij te lachen en zei, “O broeders, is deze koning Janashruti net zo machtig als de grote wijze Raikva?” Toen de koning de woorden van zwanen hoorde, klom hij onmiddellijk van het dak van zijn hoge paleis af en ging blij op zijn troon zitten. Op dat moment riep hij zijn wagenmenner bij zich en gaf hem de opdracht om op zoek te gaan naar de grote wijze Raikva. Toen de wagenmenner genaamd Maha de instructies van de koning hoorde, werd hij erg gelukkig en ging hij onmiddellijk op zoek naar Raikva. Eerst reisde hij naar Kashipuri, waar Heer Visvanath verblijft, voor het welzijn van alle wezens. Vervolgens ging hij naar Gaya, waar de lotus-ogige Heer Gadadhara, die in staat is om alle wezens van de gebondenheid aan geboorte en dood te verlossen, vertoeft. Nadat hij naar vele heilige plaatsen had gereisd kwam hij aan bij Mathura, de plaats die in staat is om alle zonden te vernietigen. In deze plaats verblijft Heer Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Alle grote wijzen, halfgoden, en ook de Veda’s en andere shastra’s in hun persoonlijke gedaantes, verrichten ascese en leveren dienst aan Heer Krishna. Mathura heeft de vorm van een halve maan en ligt aan de oever van de prachtige, toewijding schenkende rivier Yamuna. In dat prachtige gebied ligt de prachtige Govardhana Heuvel, die bijdraagt aan de pracht en glorie van Mathura-Mandala als een grote juweel in een kroon. Hij wordt omringd door zuivere bomen en klimplanten. Er zijn twaalf wonderbaarlijke bossen die Mathura omringen waarin Heer Krishna van Zijn wonderschone spel en vermaak geniet.

Nadat hij Mathura had verlaten, reisde Maha naar het westen, en daarna naar het noorden. Op een dag kwam hij aan bij een stad genaamd Kashmir waar hij een erg grote en blinkende witte plaats zag. Op die plaats leken alle mensen, zelfs de dwazen, op prachtige halfgoden, vanwege het feit dat daar voortdurend vuuroffers aan het branden waren. Het leek alsof er altijd een rij wolken over de stad hing. De Deity van Heer Shiva, die bekend staat als Manikeshvara, verbleef in die stad. De koning van Kashmir was net terugkomen van het verslaan van vele koningen, en hield zich bezig met het aanbidden van Heer Shiva. Vanwege zijn grote toewijding tot Heer Shiva stond die koning bekend als Manikeshvar. Dichtbij de deur van de tempel, zittend op een kleine kar, onder een boom, zag Maha de grote wijze Raikva. Toen hij Raikva herkende dankzij de beschrijving van Janashruti, viel hij onmiddellijk neer aan zijn voeten en vroeg aan hem, “O grote wijze, waar woont u? En wat is uw volledige naam? U bent zo’n verheven persoon. Waarom zit u op deze plek?” Toen Raikva de woorden van Maha hoorde, dacht hij een poosje na en antwoordde daarna, “Ik ben volledig voldaan, ik heb niets nodig.”

Toen Maha dit antwoord hoorde, kon hij in zijn hart onmiddellijk alles begrijpen. Hij begon direct aan zijn lange reis terug naar Pratisthanpur. Toen hij zijn bestemming bereikt had, ging hij onmiddellijk naar de koning, bracht hem zijn eerbetuigingen en vertelde hem met gevouwen handen over alles wat er had plaatsgevonden. Nadat de koning alles had vernomen van Maha besloot hij om onmiddellijk te vertrekken, om darshan te nemen van de grote wijze Raikva. Eenmaal daar aangekomen werd de grote wijze Raikva op dat moment erg boos en zei, “O dwaze koning, neem al deze nutteloze dingen mee, stop ze in je strijdwagen en ga weg van deze plaats.” De koning viel onmiddellijk met grote toewijding neer aan de voeten van Raikva en smeekte hem om vergiffenis, en om hem genadig te zijn. Hij vroeg aan Raikva, “O wijze, hoe heeft u zo’n hoge staat van verzaking en toewijding tot de Heer verworven?” Omdat hij geplezierd was met de onderdanige houding van de koning, antwoordde Raikva, “Ik reciteer dagelijks het zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita.”

Daarna hoorde koning Janashruti het zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita van Raikva. Sindsdien reciteerde hij dagelijks dat zesde hoofdstuk, en na verloop van tijd arriveerde er een bloemenvliegtuig dat hem meenam naar Vaikuntha. Ondertussen ging ook die grote wijze, die dagelijks het zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteerde, naar Vaikuntha, waar hij zich bezighield met de dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vishnu.

Eenieder die dit zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteert, zal zeer spoedig dienst aan de lotusvoeten van Heer Vishnu verkrijgen; hier bestaat geen twijfel over.

© 2014 Bhagavad Gita Seminar