Gita Mahatmya – heer Shiva’s verheerlijking van de Bhagavad-Gita in de Padma Purana.

Parvati (de vrouw van heer Shiva) zei eens tegen haar man: “Mijn beste echtgenoot, jij kent de volledige transcendentale waarheid. Door jouw genade heb ik gehoord over de roem van Heer Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Wees nu zo goed om me te vertellen over de roem van de Bhagavad-gita die door Heer Krishna gesproken werd, want ik weet dat iemands toewijding toeneemt wanneer hij over zulke onderwerpen hoort.

Heer Shiva antwoordde: “Die persoon van wie het lichaam de kleur heeft van een donkere regenwolk, die gedragen wordt door Garuda, de koning van alle vogels, en die op Ananta Sesa ligt, de duizendkoppige slang die Heer Vishnu of Krishna, die oneindige roem bezit, is degene die ik altijd vereer.”

Daarop beschreef heer Shiva hoe Heer Krishna de bestuurder is van alles terwijl Hij tegelijkertijd afzijdig blijft. Daarnaast beschreef hij hoe Zijn grote toegewijden zich bevrijden van herhaaldelijke geboorte en dood door zich Zijn goddelijke activiteiten te herinneren en hoe zij daardoor Zijn eeuwige natuur bereiken, die vrij is van dualiteit. Heer Shiva beschreef verder hoe Heer Vishnu op de oceaan van melk drijft en de wonderbaarlijke werking van zijn energieën aanschouwt.

Op een keer vroeg Laksmi, de godin van het geluk, aan Heer Vishnu: “0 Heer, Jij bent de oorzaak, instandhouding en vernietiging van de materiële universa. Wees zo goed om mij te vertellen over de werkingen van Je wonderbaarlijke energieën, die zelfs Jou aantrekken.”

Daarop vertelde Heer Vishnu dat alleen iemand van wie de intelligentie gezuiverd is ertoe geneigd is om Hem te dienen en daarom in staat is om Zijn energieën te kennen en te begrijpen. Zo’n persoon leert hoe hij vrij kan raken van de gebondenheid aan geboorte en dood en hoe hij het goddelijke kan bereiken. Zulke transcendentale kennis, zo zei Hij, wordt volledig uitgelegd in de Bhagavad-gita.

Laksmi vroeg toen: “Mijn Heer, als Jijzelf al verbaasd bent over de werkingen van Je energieën, hoe is het dan mogelijk dat de Bhagavad-gita deze oneindige energieën beschrijft en aangeeft hoe ze kunnen worden overwonnen?”

Heer Vishnu zei: “Ik heb Mezelf geopenbaard in de vorm van de Bhagavad-gita. De eerste vijf hoofdstukken zijn Mijn vijf hoofden, de volgende tien hoofdstukken zijn Mijn tien armen, het zestiende hoofdstuk is Mijn maag en de laatste twee hoofdstukken zijn Mijn lotusvoeten. Deze Bhagavad-gita vernietigt alle zonden en een intelligent persoon die dagelijks één hoofdstuk reciteert, of één vers, of een half vers, of zelfs één regel, die zal hetzelfde bereiken als Susarma.” Nadat Hij dit gezegd had begon Hij het eerste hoofdstuk te verheerlijken.

Hoewel hij in een familie van brahmana’s geboorte had genomen, was Susarma een zondige, kwaad­aardige man zonder een greintje vroomheid. Hij beleefde in het bijzonder plezier aan het pijnigen van anderen. Voor zijn levensonderhoud verkocht hij de bladeren die hij had verzameld en waarvan hij borden en kommen had gemaakt. Op een dag ging Susarma de tuin van een wijze binnen om bladeren te verzamelen toen er een slang aan kwam kronkelen die hem doodbeet. Vanwege al zijn zonden werd hij in vele hellen gesmeten en voor lange tijd moest hij vreselijk lijden.

Na verloop van tijd kreeg hij het lichaam van een stier en werd hij door een kreupele man gekocht, voor wie hij jarenlang zware lasten moest dragen. Op een dag viel de stier bewusteloos neer op de grond toen het een uitzonderlijke zware last droeg. Omstanders hadden medelijden met het dier en gaven het enkele van de vrome resultaten van hun activiteiten. Eén van de omstanders, een prostituee, vroeg zich echter af of ze eigenlijk ooit wel vrome activiteiten gedaan had. Maar omdat iedereen hun vrome resultaten aan de stier gaf, gaf ook zij de resultaten van de vrome daden die zij mogelijk begaan had.

Nadat de stier gestorven was en naar de planeet van Yamaraja, de god van de dood, gebracht was, sprak deze tot hem: “Je bent nu vrij van alle reacties op alle zonden die je begaan hebt, omdat een prostituee je al haar vrome resultaten heeft gegeven.”

In zijn volgende leven werd Susarma opnieuw als een voorname brahmana geboren, maar dit maal kon hij zich zijn voorgaande levens herinneren. Hij besloot op de prostituee die de oorzaak was van zijn bevrijding uit de hel, te zoeken. Toen hij haar gevonden had, vroeg hij haar wat de vrome activiteiten geweest waren die zij gedaan had en de prostituee antwoordde dat haar papegaai dagelijks verzen had gereciteerd die haar hart hadden gezuiverd.

Daarna vertelde de papegaai over deze verzen. In een vorig leven was de papegaai een trotse en afgunstige maar geleerde brahmana geweest die andere geleerde personen beledigd had. Hij had daarom nu het lichaam van een papegaai gekregen.

Maar als papegaai had hij vaak wijzen het eerste hoofdstuk van de Bhagavad-gita horen reciteren en was ook begonnen dit te doen. Op die manier werd hij gezuiverd. Na verkocht te zijn aan de prostituee zette de papegaai zijn recitaties voort en de prostituee had daardoor haar vrome resultaten gekregen.

Susarma werd uiteindelijk volkomen zuiver en binnen korte tijd ging hij naar Vaikuntha, de allerhoogste bestemming.


HEER VISHNU VERVOLGDE zijn verheerlijking van de Bhagavad-gita: “Luister alsjeblieft goed Laksmi-devi nu Ik je over de glorie van het tweede hoofdstuk vertel.” Een geleerde brahmana genaamd Devasarma had de halfgoden eens tevreden gesteld, maar was zelf ongelukkig gebleven omdat hij de Absolute Waarheid wilde weten. Omdat zijn verlangen naar kennis zo sterk was, sprak Devasarma met vele wijzen en was hun dienstbaar.

Op een dag ontmoette hij een vreedzame yogi in meditatie die vrij was van materiële verlangens. De yogi, die volledige kennis had van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, raadde Devasarma aan om Mitravan, een geitenhoeder uit Asau-pura, te bezoeken en van hem over de wetenschap van Godsrealisatie te horen.

Toen hij dit hoorde, bracht Devasarma vol respect zijn eerbetuigingen aan de yogi en ging op weg om Mitravan te vinden. Nadat hij in Asau-pura aangekomen was, vond hij Mitravan in een prachtig woud, dat naast een smalle rivier lag. Mitravan zat op een rots en hij zag er vreedzaam uit en zijn geiten liepen zonder angst rond; sommige van hen zaten zelfs naast tijgers en andere wilde dieren. Devasarma werd zelf ook zeer vredig en hij benaderde Mitravan om hem over toewijding aan Krishna te vragen.

Mitravan vertelde daarop het volgende verhaal: “Mijn beste Devasarma, ik was eens in dit bos mijn geiten aan het hoeden op de oever van deze rivier toen er een tijger aanviel. Alle geiten renden weg en ik rende mee. Van een afstand zag ik dat er een geit achtervolgd werd door de tijger. Maar plotseling gebeurde er iets eigenaardigs en wonderbaarlijks: de tijger verloor zijn roofzuchtigheid en verlangde er niet meer naar om de geit op te eten.”

Mitravan beschreef dat zowel de tijger als de geit verbijsterd waren over hun plotselinge vreedzaamheid en dat ze hem daarom hadden benaderd om te vragen wat er gebeurd was. Op zijn beurt had Mitravan een aap ondervraagd, die hem het verhaal vertelde van Sukama, een geleerde wijze.

Sukama had eens een andere wijze tevreden gesteld door hem een overvloedige maaltijd te geven en op een plezierige manier te spreken. De wijze had Sukama daarop een stuk steen gegeven waarin het tweede hoofdstuk van de Bhagavad-gita gegraveerd was. Nadat hij Sukama de instructie gegeven had om dit hoofdstuk dagelijks te reciteren, was de wijze vertrokken.

Omdat Sukama deze instructie opgevolgd had, kreeg hij al gauw volledige kennis over Heer Krishna. En door de ascese die hij met veel toewijding gedaan had op dezelfde plek waar Mitravan en de aap stonden, voelde iedereen die daar kwam de kwellingen van hoger en dorst verdwijnen en werd iedereen gelijk volkomen vredig.

Daarna vertelde Mitravan aan Devasarma dat hij samen met de tijger en de geit de steen in een tempel gevonden had en dat ze samen waren begonnen om dagelijks het tweede hoofdstuk van de Bhagavad-gita te reciteren. Op die manier hadden ze al snel toewijding voor Heer Krishna gekregen.

Devasarma besloot om Mitravans voorbeeld zorgvuldig op te volgen en later, toen hij weer terug was in zijn dorp, reciteerden de bezoekers samen met hem het tweede hoofdstuk van de Bhagavad-gita. Zo had Devasarma de genade van Krishna gekregen en toewijding aan Zijn lotusvoeten bereikt.


HEER VISHNU sprak toen over de heerlijkheden van het derde hoofdstuk van de Bhagavad-gita, zoals die worden beschreven in het verhaal van Jada. Jada was een brahmana die zijn rijkdom verspeeld had met gokken, drinken, jagen en het bezoeken van prostituees. Op een dag kwam hij met veel geld op zak terug van een zakenreis. Onderweg stopte hij op een verlaten plaats om te overnachten maar werd daar door rovers overvallen en vermoord. Vanwege zijn zondige leven kreeg Jada het lichaam van een geest.

Jada’s zoon was, ondanks zijn vader, religieus en geleerd in de vedische geschriften. Toen zijn vader lange tijd afwezig bleef, besloot hij hem te gaan zoeken. Hij deed overal navraag naar zijn vader en ontmoette op zekere dag een man die hem vertelde wat er gebeurd was. Jada’s zoon ging onmiddellijk op weg naar Gaya om Heer Vishnu te vereren om op deze manier zijn vader te bevrijden van zijn bestaan als geest. Op een avond verrichtte de zoon bij toeval zijn dagelijkse verering van Heer Krishna onder dezelfde boom waar ook zijn vader onder gedood was.

Op het moment dat de zoon het derde hoofdstuk van de Bhagavad-gita reciteerde, hoorde hij opeens een hard geluid. Toen hij opkeek zag hij zijn vader die in een prachtig wezen was veranderd met een lichaam in de kleur van een regenwolk. Hij had een vierarmige gedaante en was gekleed in een geel gewaad. De schittering van zijn lichaam verlichtte alles rondom.

De vader zei: “Mijn beste zoon, jouw voordracht van het derde hoofdstuk van de Bhagavad-gita heeft me bevrijd van mijn geestgedaante. Keer nu terug naar huis, want het doel van jouw reis naar Gaya is nu bereikt.”

Daarop verzocht hij zijn zoon om ook een broer en enkele voorouders te bevrijden, die ook zondige levens hadden geleid en in de hel moesten lijden. De zoon zei dat hij net zolang het derde hoofdstuk van de Bhagavad-gita zou opzeggen totdat alle zielen die in de hel gevangen zaten, bevrijd zouden zijn.

Toen arriveerde er een vliegtuig uit Vaikuntha, de spirituele wereld, die zijn vader naar zijn allerhoogste bestemming bracht. De zoon keerde terug naar huis en droeg dagelijks voor de murti (Beeldgedaante) van Krishna het derde hoofdstuk van de Bhagavad-gita voor. Toen deze voordrachten door bleven gaan, stuurde Heer Vishnu Zijn boodschappers, de Vishnu-duta’s, naar het koninkrijk van heer Yamaraja die de zondaren straft. De Vishnu-duta’s vertelden Yamaraja dat Heer Vishnu hem de beste wensen zond en dat Hij opdracht gaf om de gebonden zielen die in de hel lijden, vrij te laten. Yamaraja liet daarop onmiddellijk alle zielen gaan.

Vervolgens ging Yamaraja naar Sveta-dvipa, het eiland in de oceaan van melk, om Heer Vishnu te bezoeken. Yamaraja vond de Heer liggend op Zijn slangenbed, Ananta Sesa, met Laksmidevi die Zijn voeten masseerde. Zijn transcendentale lichaam had de uitstraling van vele zonnen en de halfgoden en wijzen omringden Hem en bezongen Zijn roem.

Met gevouwen handen bracht Yamaraja de Heer zijn eerbetuigingen. Hij bad tot Heer Vishnu: “Mijn beste Heer Vishnu, U heeft het beste voor met alle gebonden zielen en Uw roem is onbegrensd. Van U komen de veda’s. U bent zowel de tijd als de oorzaak van de tijd. U bent de schepper, de instandhouder en de vernietiger van de drie werelden. U bent de Superziel die ieders activiteiten bestuurt. U bent de guru van het universum en het doel van de toegewijden. O, Heer met de lotusogen, aanvaard alstublieft keer op keer mijn eerbetuigingen.

Nadat hij zijn gebeden had beëindigd vroeg Yamaraja de Heer om instructies. Met een stem zo diep als de donder en zo zoet als nectar antwoordde Heer Vishnu: “Mijn beste Yamaraja, Ik hoef jou wat betreft je plicht niet te onderrichten. Wees zo goed naar je woonplaats terug te keren en, vergezeld van Mijn volledige zegen, ook in de toekomst door te gaan met het vervullen van je plicht.

Daarna werd Jada’s zoon naar de woonplaats van Heer Vishnu gebracht, waar hij eeuwig bezig is met het dienen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.


Gita Mahatmya Hoofdstuk 4: Verleiding, Fruitbomen en Verlossing

Heer Vishnu beschreef vervolgens de heerlijkheden uit het vierde hoofdstuk van de Bhagavad-gita. Hij vertelde over een heilige, Bharata genaamd, die aan de oever van de Ganges leefde. Daar reciteerde de toegewijde Bharata dagelijks het vierde hoofdstuk van de Bhagavat-gita.

Op een dag ging Bharata op pelgrimstocht naar de stad Tapodhana en zag daar een murti van Krishna. Op weg naar huis rustte hij uit onder twee fruitbomen. Hij gebruikte de wortels van de ene boom als kussen en die van de andere om zijn voeten op te leggen. Daar reciteerde hij, zoals gebruikelijk, het vierde hoofdstuk. Toen hij die plaats verliet, verdorden de beide bomen en gingen dood. De twee zielen die in de bomen leefden, kregen een nieuwe leven als dochters van een vrome brahmana.

Toen de meisjes de leeftijd van zeven jaar bereikt hadden, gingen ze op pelgrimstocht en ontmoetten ze toevallig de grote wijze Bharata. Toen ze hem zagen, vielen ze aan zijn voeten en spraken zoete woorden: ‘O Maharaja Bharata, door uw genade zijn onze zielen bevrijd uit de gedaante van een boom.’ Daarop deden zij hun verhaal, dat Bharata verrast aanhoorde.

De meisjes vertelden Bharata het volgende: `Beste Maharaja Bharata, in een vorig leven waren wij apsara’s, hemelse nimfen. Op een dag kregen we van Koning Indra het bevel om de wijze Satya-tapa ten val te brengen, die zware ascese beoefende aan de oever van de Godavari. Satya-tapa had volledige beheersing over zin zintuigen en was zo gevorderd in toegewijde dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, dat Brahma, de schepper van het universum, hem dagelijks bezocht om hem vragen te stellen over toegewijde dienst.

`Maar Indra ergerde zich aan de zuiverheid en de verhevenheid van Satya-tapa. Zijn zorg was dat deze machtige wijze op een dag zijn positie van hemelkoning zou overnemen. Om dit te voorkomen stuurde Indra ons naar de oever van de Godavari. Daar dansten we op een uitdagende manier om de wijze seksueel op te winden en hem te verleiden. Al dansend werden onze borsten zichtbaar en Satya-tapa vervloekte ons. Hij zei: “Ga weg jullie allebei, en wordt fruitbomen aan de oever van de Ganges!” Toen we de vloek hoorden, vielen we aan zijn voeten en smeekten hem om vergiffenis, want we hadden slechts gehandeld als dienaren van Indra. Toen Satya-tapa onze berouwvolle houding zag, was hij voldaan en hij zei dat we alleen maar als bomen hoefden te leven tot Maharaja Bharata met ons in aanraking zou komen. Ook gaf hij ons de zegen dat we ons altijd onze vorige levens zouden kunnen herinneren.’

De twee meisjes herinnerden Bharata eraan dat hij tussen twee fruitbomen gerust had en zeiden dat ze hem het vierde hoofdstuk van de Bhagavad-gita hadden horen reciteren. Nadat ze van deze levensvorm bevrijd waren, waren ze in een familie van toegewijden geboren. Sindsdien hadden ze elk verlangen om in deze wereld te genieten verloren. Ze hadden dagelijks zorgvuldig het vierde hoofdstuk van de Bhagavad-gita gereciteerd en op die manier toewijding voor de lotusvoeten van Heer Krishna gekregen.


HEER VISHNU VROEG Laksmi devi om heel goed te luisteren naar de beschrij­ving van de heerlijkheden die in het vijfde hoofdstuk van de Bhagavad-gita te vinden zijn.

In een stad, Puru-kutsapara genaamd, leefde eens een brahmana die Pingala heette. Hoewel hij een goede opvoe­ding had genoten, ontbrak het hem aan belangstelling voor studeren en daarom gaf hij zijn studie al op jonge leeftijd op. In plaats daarvan leerde hij muziekinstrumenten te bespelen, te zingen en te dansen. Hij werd daar zo beroemd mee, dat de koning hem uit­nodigde om in het paleis te komen wonen. Zijn vertrouwelijke omgang met de koning maakte hem echter trots en kritisch ten opzichte van anderen. Daarnaast raakte hij aan de drugs en pleegde hij overspel.

Ondanks zijn verschillende ongeoor­loofde liefdesaffaires had Pingala een vrouw, Aruna, die afkomstig was van een lagere klasse. Ook zij was over­spelig en toen Pingala daar achter kwam, vermoordde zij hem. Daarna genoot ze van het leven in het gezel­schap van vele mannen, maar liep spoedig een geslachtsziekte op. Haar jeugdige lichaam werd lelijk en na korte tijd stierf zij.

Zowel de man als de vrouw vielen in de diepste regionen van de hel en leden vreselijk. In hun volgende leven werden ze allebei vogels. Pingala werd een gier en Aruna een papegaai. Toen de papegaai op een dag op zoek was naar voedsel, viel de gier haar aan. De gier kon zich op een of ande­re manier zijn vorige leven herinneren en hij begreep dat de papegaai zijn vrouw geweest was. Na een vechtpar­tij vielen beide vogels neer en ver­dronken in een menselijke schedel vol water.

Zij werden voor Yamaraja gebracht en waren heel erg bang omdat ze zich hun zonden levendig konden herinne­ren. Yamaraja zei echter: ‘Jullie zijn nu bevrijd van alle reacties op jullie zonden en mogen naar Vaikuntha gaan.’ Stomverbaasd vroegen Pingala en Aruna aan Yamaraja hoe personen die zo slecht waren het recht hadden Vaikuntha binnen te gaan.

Toen vertelde Yamaraja hen over een zuivere toegewijde van de Heer, die dagelijks het vijfde hoofdstuk van de Bhagavad-gita reciteerde. Toen deze toegewijde, die geheel vrij was van lust, zijn lichaam verliet, ging hij regelrecht naar Vaikuntha. Door het voortdurend reciteren van de Bhagavad-gita was zijn lichaam ook gezuiverd. Daarom hadden Pingala en Aruna, toen ze zijn schedel aanraak­ten, bevrijding bereikt van alle reac­ties op zonden en hadden ze zich het recht verworven om Vaikuntha binnen te gaan.

Nadat Pingala en Aruna de heerlijkhe­den van het vijfde hoofdstuk van de Bhagavad-gitahadden gehoord, wer­den ze overweldigd door vreugde en een met bloemen versierd luchtvaar­tuig arriveerde om ze mee te nemen naar de spirituele wereld.


De Glories van Hoofdstuk Zes van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Vishnu zei, “Nu zal Ik je de glories van het zesde hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita vertellen. Wie deze beschrijving ook maar hoort, zal bevrijd worden van de materiële wereld.

Aan de oever van de Godavari rivier ligt een prachtige stad genaamd Pratisthanpur (Paithan), waar Ik bekend sta onder de naam van Pippalesh. In die stad leefde een koning genaamd Janashruti, van wie de mensen heel erg hielden en wiens kwaliteiten ongelimiteerd waren. Hij verrichtte dagelijks vuuroffers, die zo weelderig en groot waren dat de rook die er van af kwam de Hemelse tuin van genot die bekend staat als Nandanvan bereikte, en de blaadjes van de Kalpavrksa bomen zwart maakten. Het leek erop alsof die bomen hun eerbied aan het betuigen waren aan koning Janashruti. Vanwege de vrome activiteiten van die grote koning verbleven de halfgoden altijd in Pratisthanpur.

Wanneer Janashruti iets in liefdadigheid gaf, verdeelde hij het net zoals de wolken de regen verspreiden. Vanwege de zuivere religieuze activiteiten van Janashruti, viel de regen altijd op het juiste moment. En de velden, die niet verstoord werden door de zes soorten knaagdieren, stonden altijd vol met gewassen.  Hij was altijd putten en meren aan het graven voor het welzijn van de burgers. De halfgoden waren erg tevreden met Janashruti en gingen in de vorm van zwanen naar zijn paleis om hem te zegenen. Ze vlogen door de lucht, de ene na de andere, en waren samen aan het praten. Bhadrashva, samen met twee of drie andere zwanen, vlogen vooruit op de anderen. Op dat moment zeiden de andere zwanen tegen Bhadrashva, “O Broeder, waarom ben je op ons vooruit aan het vliegen? Zie je de grote koning Janashruti, die zo machtig is dat hij zijn vijanden naar wens tot as kan verbranden, niet recht voor je?” Toen Bhadrashva de woorden van de andere zwanen hoorde, begon hij te lachen en zei, “O broeders, is deze koning Janashruti net zo machtig als de grote wijze Raikva?” Toen de koning de woorden van zwanen hoorde, klom hij onmiddellijk van het dak van zijn hoge paleis af en ging blij op zijn troon zitten. Op dat moment riep hij zijn wagenmenner bij zich en gaf hem de opdracht om op zoek te gaan naar de grote wijze Raikva. Toen de wagenmenner genaamd Maha de instructies van de koning hoorde, werd hij erg gelukkig en ging hij onmiddellijk op zoek naar Raikva. Eerst reisde hij naar Kashipuri, waar Heer Visvanath verblijft, voor het welzijn van alle wezens. Vervolgens ging hij naar Gaya, waar de lotus-ogige Heer Gadadhara, die in staat is om alle wezens van de gebondenheid aan geboorte en dood te verlossen, vertoeft. Nadat hij naar vele heilige plaatsen had gereisd kwam hij aan bij Mathura, de plaats die in staat is om alle zonden te vernietigen. In deze plaats verblijft Heer Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Alle grote wijzen, halfgoden, en ook de Veda’s en andere shastra’s in hun persoonlijke gedaantes, verrichten ascese en leveren dienst aan Heer Krishna. Mathura heeft de vorm van een halve maan en ligt aan de oever van de prachtige, toewijding schenkende rivier Yamuna. In dat prachtige gebied ligt de prachtige Govardhana Heuvel, die bijdraagt aan de pracht en glorie van Mathura-Mandala als een grote juweel in een kroon. Hij wordt omringd door zuivere bomen en klimplanten. Er zijn twaalf wonderbaarlijke bossen die Mathura omringen waarin Heer Krishna van Zijn wonderschone spel en vermaak geniet.

Nadat hij Mathura had verlaten, reisde Maha naar het westen, en daarna naar het noorden. Op een dag kwam hij aan bij een stad genaamd Kashmir waar hij een erg grote en blinkende witte plaats zag. Op die plaats leken alle mensen, zelfs de dwazen, op prachtige halfgoden, vanwege het feit dat daar voortdurend vuuroffers aan het branden waren. Het leek alsof er altijd een rij wolken over de stad hing. De Deity van Heer Shiva, die bekend staat als Manikeshvara, verbleef in die stad. De koning van Kashmir was net terugkomen van het verslaan van vele koningen, en hield zich bezig met het aanbidden van Heer Shiva. Vanwege zijn grote toewijding tot Heer Shiva stond die koning bekend als Manikeshvar. Dichtbij de deur van de tempel, zittend op een kleine kar, onder een boom, zag Maha de grote wijze Raikva. Toen hij Raikva herkende dankzij de beschrijving van Janashruti, viel hij onmiddellijk neer aan zijn voeten en vroeg aan hem, “O grote wijze, waar woont u? En wat is uw volledige naam? U bent zo’n verheven persoon. Waarom zit u op deze plek?” Toen Raikva de woorden van Maha hoorde, dacht hij een poosje na en antwoordde daarna, “Ik ben volledig voldaan, ik heb niets nodig.”

Toen Maha dit antwoord hoorde, kon hij in zijn hart onmiddellijk alles begrijpen. Hij begon direct aan zijn lange reis terug naar Pratisthanpur. Toen hij zijn bestemming bereikt had, ging hij onmiddellijk naar de koning, bracht hem zijn eerbetuigingen en vertelde hem met gevouwen handen over alles wat er had plaatsgevonden. Nadat de koning alles had vernomen van Maha besloot hij om onmiddellijk te vertrekken, om darshan te nemen van de grote wijze Raikva. Eenmaal daar aangekomen werd de grote wijze Raikva op dat moment erg boos en zei, “O dwaze koning, neem al deze nutteloze dingen mee, stop ze in je strijdwagen en ga weg van deze plaats.” De koning viel onmiddellijk met grote toewijding neer aan de voeten van Raikva en smeekte hem om vergiffenis, en om hem genadig te zijn. Hij vroeg aan Raikva, “O wijze, hoe heeft u zo’n hoge staat van verzaking en toewijding tot de Heer verworven?” Omdat hij geplezierd was met de onderdanige houding van de koning, antwoordde Raikva, “Ik reciteer dagelijks het zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita.”

Daarna hoorde koning Janashruti het zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita van Raikva. Sindsdien reciteerde hij dagelijks dat zesde hoofdstuk, en na verloop van tijd arriveerde er een bloemenvliegtuig dat hem meenam naar Vaikuntha. Ondertussen ging ook die grote wijze, die dagelijks het zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteerde, naar Vaikuntha, waar hij zich bezighield met de dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vishnu.

Eenieder die dit zesde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteert, zal zeer spoedig dienst aan de lotusvoeten van Heer Vishnu verkrijgen; hier bestaat geen twijfel over.


De Glories van Hoofdstuk Zeven van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn liefste Parvati, nu zal ik je vertellen over het zevende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita, waarvan men, na het gehoord te hebben, voelt dat zijn oren gevuld zijn met goddelijke nectar.

Pataliputra is de naam van een grote stad die vele poorten heeft. In die stad woonde een brahmana genaamd Shankukarna. Hij was een zakenman geworden en had een erg grote rijkdom vergaard. Maar hij had nog nooit enige devotionele activiteiten verricht, noch had hij de noodzakelijke ritualistische verrichtingen ten gunste van zijn voorvaders uitgevoerd. Hij werd zeer rijk, zo rijk dat zelfs grote koningen bij hem thuis kwamen eten. Shankukarna was ook de meest vrekkige persoon die er was, en hij hield zijn rijkdom begraven onder de grond.

Ooit, toen die brahmana samen met zijn kinderen en andere familieleden op pad ging voor zijn vierde huwelijk, stopten ze ergens om te overnachten. Terwijl hij aan het slapen was, kwam er een slang die hem beet. Toen zijn zonen en familieleden erachter kwamen dat een slang hem had gebeten, riepen ze de dokters en mantra-chanters. Maar niemand was in staat om hem te helpen en niet lang daarna stierf hij. Daarna kreeg hij het lichaam van een Preta-Sarp, een slangengeest. Het enige waar hij over na kon denken was zijn rijkdom, die dichtbij het huis waar hij gewoond had begraven lag. Hij had zelfs zijn eigen familie niet ingelicht over waar zijn rijkdom was begraven. Zelfs in de vorm van een Preta-Sarp verbleef hij bij de plaats waar zijn rijkdom begraven lag, zodat niemand anders die rijkdom kon meenemen. Na een poos werd hij het moe om gevangen te zitten in de gedaante van een Preta-Sarp en dus verscheen hij in de dromen van zijn zoons om hen te verzoeken hem te helpen. ’s Ochtends, toen zijn luie zoons wakker werden, vertelden ze elkaar over de droom die ze gehad hadden. Een van zijn zonen nam een groot graafwerktuig in zijn handen en ging naar de plaats waarvan zijn vader had aangegeven dat hij daar verbleef. Toen hij bij die plaats aankwam realiseerde hij zich dat hij zich niet bewust was van de exacte plek waar de rijkdom begraven was. Die zoon was buitengewoon gierig, en hij zocht een lange tijd, tot hij een slangenhol aantrof, dat hij prompt begon op te graven.

Kort daarna kwam er een zeer grote en angstaanjagende slang uit dat hol, die het volgende zei, “O dwaas, wie ben jij? Waarom ben je hier gekomen? Wie heeft je gestuurd? En waarom ben je op deze plek aan het graven? Beantwoord mijn vragen onmiddellijk.” De zoon antwoordde, “Ik ben uw zoon. Mijn naam is Shiva. In een droom afgelopen nacht zag ik dat er verborgen schatten begraven waren op deze plek en ik kwam om ze mee te nemen.” Toen hij Shiva zo hoorde spreken, begon de Preta-Sarp te lachen en zei, “Als je mijn zoon bent, waarom verricht je dan niet de noodzakelijke rituelen om me te bevrijden van deze helse situatie. Vanwege hebzucht in mijn vorige leven heb ik dit lichaam gekregen en nu ga jij dezelfde kant op.”

De zoon vroeg, “Mijn beste vader, vertel me alstublieft hoe u bevrijd kunt worden uit deze helse situatie?” de Preta-Sarp zei, “Ik kan door geen enkele vorm van liefdadigheid, tapasya of yajna bevrijd worden; alleen door het reciteren van het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gita zal ik in staat zijn om verlost te worden van het rad van geboorte en dood. Mijn beste zoon, wees zo vriendelijk om de sraddha ceremonie uit te voeren, en nodig op die dag een brahmana uit die gewend is om het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gita te chanten en geef hem overvloedig te eten.”

Daarna vervulde Shiva samen met zijn oudere broer de instructies van zijn vader en gaf Sankukarna, terwijl de brahmana het zevende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita aan het chanten was, dat angstaanjagende lichaam van een Preta-sarp op en verkreeg een goddelijk vierhandig lichaam. Op dat moment zegende hij zijn zonen, vertelde hen waar zijn rijkdom verborgen lag en vertrok toen naar Vaikuntha.

Die zonen, van wie de geesten verankerd waren geraakt in toewijding aan Heer Krishna, gebruikten die rijkdom voor het bouwen van tempels, het graven van allerlei putten en het uitdelen van voedsel. Ze hielden zich allemaal dagelijks bezig met het reciteren van het zevende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita en bereikten heel snel de lotusvoeten van Heer Krishna.

Heer Shiva zei, “Mijn liefste Parvati, ik heb je nu over de wonderbaarlijke glories van het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gita verteld. Iedereen die deze beschrijving hoort, zal bevrijd worden van alle zondige reacties.”


De Glories van Hoofdstuk Acht van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn liefste Parvati, luister nu alsjeblieft naar de glories van het achtste hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita. Nadat je hier naar geluisterd hebt, zul je grote vreugde ervaren.

In het zuiden ligt een belangrijke stad genaamd Amardhkapur waar een brahmana genaamd Bhavasharma woonde, die een prostituee als vrouw had genomen. Bhavasharma genoot van het eten van vlees, het drinken van wijn, stelen, met vrouwen van anderen gaan; en hij genoot van jagen. Op een dag was die Bhavasharma uitgenodigd voor een feestje, waar hij zoveel alcohol dronk dat het uit zijn mond begon te komen. Na het feestje werd hij erg ziek en leed hij aan chronische dysenterie, en na vele dagen van leed stierf hij en kreeg hij het lichaam van een dadelpalm.

Op een dag kwamen er twee brahma-rakshasa’s (geesten) die beschutting namen onder die boom. Hun vorige levensverhaal was als volgt:

Er was een brahmana genaamd Kushibal, die erg geleerd was in de Veda’s en die alle takken van kennis had bestudeerd. De naam van zijn vrouw was Kumati, die erg kwaadaardig was. Hoewel die brahmana erg geleerd was, was hij ook erg vrekkig. Hij vergaarde samen met zijn vrouw dagelijks veel aalmoezen, maar hij gaf nooit aalmoezen aan andere brahmana’s. Toen het hun tijd was om te sterven, kregen ze allebei de gedaantes van brahma-rakshasa’s. Als brahma-rakshasa’s doolden ze voortdurend hier en daar over de aarde, lijdend aan honger en dorst. Op een dag rustten ze uit onder die dadelpalm. Op dat moment vroeg de vrouw aan haar echtgenoot, “Hoe kunnen we verlost raken van deze vloek van het zijn van brahma-rakshasa’s?” Hij antwoordde, “Door kennis van brahma, door kennis van het zelf, door kennis van baatzuchtige activiteiten. Zonder zulke kennis is het niet mogelijk om verlost te raken van onze zondige reacties.” Toen ze dit hoorde, vroeg de vrouw, “O mijn Heer, wat is brahma, wat is het zelf? Wat zijn baatzuchtige activiteiten? (kim tad brahma kim adhyatmam kim karma purusottama)” Geheel per toeval chantte de vrouw de helft van de eerste shloka van het achtste hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita.  Op het moment dat hij die halve shloka hoorde, raakte Bhavasharma verlost van die vorm van een boom en kreeg hij weer een lichaam van een brahmana, volledig vrij van alle zonde. Plotseling daalde er een bloemenvliegtuig neer uit de hemel dat die man en vrouw meenam naar huis, terug naar God, Vaikuntha.

Daarna schreef die brahmana genaamd Bhavasharma met veel respect die halve shloka (kim tad brahma kim adhyatmam kim karma purusottama) op en ging hij, met de intentie om Heer Krishna te aanbidden, naar Kashipuri en begon grote ascese te verrichten, terwijl hij voortdurend die halve shloka reciteerde.

Ondertussen in Vaikuntha zag Lakshmi dat Heer Vishnu zijn rust onderbrak en plotseling opstond, en dus vroeg ze met gevouwen handen, “Waarom ben Je zo plotseling opgestaan?” Heer Vishnu zei, “Mijn liefste Lakshmi, in Kashipuri, aan de oever van de Ganges, is mijn toegewijde bezig met het verrichten van grote ascese terwijl hij voortdurend een halve shloka van het achtste hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita aan het chanten is. Ik heb er lange tijd over nagedacht hoe Ik zijn toewijding zal belonen.” Parvati vroeg aan Heer Shiva, “Welke zegening schonk Heer Vishnu aan Zijn toegewijde, toen Hij zo tevreden was over hem?”

Heer Shiva zei, “Bhavasharma ging naar Vaikuntha, om zich bezig te houden met de eeuwige dienst aan de lotusvoeten van Heer Vishnu. Niet alleen dat, maar al zijn voorouders bereikten ook de lotusvoeten van Heer Vishnu.

Mijn liefste Parvati, ik heb nu slechts een klein beetje van de glories van het achtste hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita aan je beschreven.”


De Glories van het Negende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn liefste Parvati, nu zal ik je over de glories van het negende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita vertellen.

Er was een stad genaamd Mahismati aan de oever van de Narmada rivier, waar een brahmana genaamd Madhava woonde. Die brahmana volgde zeer strikt alle regels en bepalingen van de Veda’s, en bezat alle goede eigenschappen van de Brahmaanse klasse. Omdat hij zo geleerd was, ontving hij altijd veel aalmoezen en met zijn vergaarde rijkdom begon hij een groot vuuroffer te verrichten. Er werd een geit gekocht als offer, en toen ze die geit begonnen schoon te maken ter voorbereiding van haar offer, begon die geit tot grote verbazing van iedereen te lachen en sprak met een luide stem, “O brahmana, wat heeft het verrichten van zo veel vuuroffers die ons simpelweg binden aan het rad van geboorte en dood voor zin? Zie toch mijn positie nadat ik zoveel vuuroffers heb verricht.”

Toen iedereen die daar aanwezig was de woorden van de geit hoorde, werden ze nieuwsgierig, en die brahmana vroeg met gevouwen handen, “Hoe bent u een geit geworden? Tot welke sociale klasse behoorde u in uw vorige leven en welke activiteiten verrichtte u?” De geit antwoordde, “O brahmana, in mijn vorige leven was ik geboren in een zeer zuivere Brahmaanse familie en heb ik zeer zorgvuldig alle ritualistische activiteiten die staan voorgeschreven in de Veda’s uitgevoerd.

Op een dag wenste mijn vrouw Durga te aanbidden zodat ons kind genezen kon worden van zijn ziekte. Om dit te bewerkstelligen verzocht ze mij om een geit te halen. Toen we de geit offerde in de tempel van Moeder Durga, vervloekte de geit me, “O zondige, laagste van allemaal, je wil mijn kinderen vaderloos te maken. Om deze reden zul jij ook geboorte nemen als een geit.” O Madhava, toen ik dood ging kreeg ik dit lichaam van een geit, maar dankzij de genade van Heer Govinda kan ik mijn voorgaande levens nog herinneren. Indien je nog een ander interessant verhaal wenst te horen zal ik het je vertellen.

In de plaats die bekend staat als Kurukshetra, die in staat is om verlossing te schenken, woonde eens een koning genaamd Chandrasharma, die van de dynastie van de zonnegod was. Ooit, ten tijde van een zonsverduistering, wou de koning iets in liefdadigheid schenken aan een brahmana. Onderdeel van die liefdadigheid was een Sudra, wiens lichaam volledig zwart was. Nadat hij met zijn priester mee was gegaan en een bad had genomen in het heilige meer, schone kleren had aangetrokken en sandelhout op zijn lichaam had aangebracht, keerde hij terug naar zijn plaats. Hij gaf de liefdadigheid vol toewijding aan een brahmana. Nadat hij de liefdadigheid had geschonken, verscheen er plotseling een erg zondige chandala (hondeneter) uit het hart van die zwarte sudra, en na een poosje verscheen er een vrouwelijke chandala uit het lichaam van die zwarte sudra, en samen benaderden ze de brahmana. Toen ze erg dicht bij hem in de buurt waren, gingen ze plotseling het lichaam van de brahmana binnen. De brahmana bleef echter onverstoord en begon het negende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te chanten terwijl hij aan Heer Govinda dacht. De koning, die al deze gebeurtenissen voor zijn ogen zag gebeuren, stond perplex en was niet in staat om iets te zeggen. Zodra de woorden van het negende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita over de lippen van die brahmana kwamen, verschenen de Vishnuduta’s daar ter plekke en zij jaagden die twee chandala’s weg. Op dat moment vroeg de koning aan de brahmana, “O geleerde, wie waren die twee personen, en welke mantra chantte u? Aan welke Deity dacht u?” De brahmana antwoordde, “De mannelijke chandala was de zonde in persoon, en de vrouwelijke chandala was de overtreding in persoon. Op dat moment begon ik het negende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita, dat in staat is om iemand van alle afschuwelijke situaties te verlossen, te chanten. Door het negende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te reciteren, ben ik altijd in staat om aan de lotusvoeten van Heer Govinda te denken.”

Toen hij dit gehoord had, begon de koning het chanten van het negende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te leren van de brahmana. Geleidelijk aan lukte het hem om de lotusvoeten van Heer Govinda te bereiken. Toen Madhava deze vertelling hoorde van de geit, liet hij de geit onmiddellijk vrij en begon hij dagelijks het negende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te chanten, en dus bereikte hij ook de lotusvoeten van Heer Govinda.


De Glories van het Tiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn liefste Parvati, nu zal ik je vertellen over de glories van het tiende hoofstuk van de Srimad Bhagavad-gita, zoals verteld door Heer Vishnu aan Lakshmi-Devi, wat op zichzelf een trap naar de spirituele wereld is.

In Kashipuri was er eens een brahmana genaamd Dhirabuddhi, die me net zo dierbaar was als Nandi, mijn vervoerder. Hij was altijd vreedzaam en al zijn zintuigen waren gefixeerd op de verheerlijking van Heer Krishna. Waar hij ook maar naar toe ging, volgde ik hem met grote liefde, zodat ik hem kon beschermen en dienen. Toen hij mijn activiteiten zag, vroeg mijn eeuwige dienaar Bhringiriddhi aan me, “Wat voor ascese en andere vrome activiteiten heeft deze grote toegewijde allemaal verricht, dat u hem persoonlijk dienst levert?”

Toen ik Bringiriddhi’s vraag hoorde, antwoordde ik als volgt: “Ooit, in Kailash parvata, in de tuin die bekend staat als punnaag, was ik ervan aan het genieten om in het maanlicht te zitten, toen er plotseling een sterke wind opstak, die de bomen met veel kabaal liet schudden. Opeens kwam er een schaduw aan alle kanten opzetten alsof er een berg aan het bewegen was. Plotseling verscheen er aan de hemel een hele grote vogel die de kleur van een regenwolk had. Vanwege het gefladder van zijn vleugels, schudde het de bomen heen en weer en waaide al het stof op. Plotseling landde de vogel en bracht zijn eerbetuigingen aan mij samen met een prachtige lotusbloem, waarna hij zei, “O Mahadeva! Alle glorie aan u, de toevlucht van iedereen. Er staat geen maat op uw glories. U bent de beschermer van de toegewijden die hun zintuigen onder controle hebben, en u bent de voornaamste van alle toegewijden van de Allerhoogste Heer Krishna. Grote zielen zoals Brihaspati chanten altijd uw glories. Maar zelfs de duizendkoppige Ananta Sesha is niet in staat om uw glories volledig te beschrijven, om maar te zwijgen van een vogel zoals ik, met zo weinig intelligentie.”

Nadat ik naar het gebed van de vogel had geluisterd, vroeg ik, “Wie bent u en waar komt u vandaan? U ziet eruit als een zwaan en u heeft de lichaamskleur van een kraai.” Die vogel antwoordde, “Weet dat ik de zwaan ben die Heer Brahma vervoert, en de reden waarom mijn lichaam een zwarte kleur heeft, zal ik u nu vertellen.”

In de buurt van Saurashtra (Surat) ligt een prachtig meer, waar deze wonderschone hemelse lotusbloem vandaan komt. Ik was daar al een tijdje aan het genieten. Echter, net toen ik van die plek wegvloog, viel ik plotseling op de grond en kreeg mijn lichaam deze zwarte kleur. Op dat moment dacht ik, “Hoe is het mogelijk dat ik gevallen ben, en hoe is mijn lichaam, dat wit als kamfer was, zo zwart geworden?” terwijl ik zo aan het denken was hoorde ik een stem uit de lotussen van het meer komen, “O zwaan, sta op, ik zal je vertellen waarom je bent gevallen en waarom je lichaam zwart is geworden.” Toen stond ik op en ging het middelpunt van het meer, waar zich vijf prachtige lotussen bevonden uit wie een hele mooie dame tevoorschijn kwam. Nadat ik haar mijn eerbetuigingen had gebracht door om haar heen te lopen, vroeg naar de reden van mijn val. Ze antwoordde, “O zwarte zwaan, terwijl je aan het vliegen was, vloog je over mij heen, en vanwege deze overtreding is je lichaam nu zwart geworden. Toen ik je zag vallen had ik medelijden met je, en daarom riep ik je tot me. Toen ik mijn mond opende, was de geur die eruit voortkwam in staat om in een klap zevenduizend zwarte bijen, die onmiddellijk toegang kregen tot het hemelse rijk, te zuiveren. Mijn beste koning der vogels, ik zal je vertellen hoe het komt dat ik zo’n macht heb.

Voorafgaand aan deze geboorte, drie geboortes eerder om precies te zijn, was ik geboren in een Brahmaanse familie, en mijn naam was Sarojavadana. Mijn vader had me voortdurend onderwezen over de principes van kuisheid, en toen ik trouwde diende ik mijn echtgenoot erg trouw. Op een dag vond ik een maina (zwarte vogel), en omdat ik voor die vogel begon te zorgen, kwam er de klad in mijn dienst aan mijn echtgenoot, waarover hij erg kwaad werd en mij vervloekte, “O zondige vrouw, jij zult een maina worden in je volgende leven.”

In mijn volgende geboorte werd ik een maina, maar omdat ik de principes van kuisheid strikt volgde, kreeg ik het voor elkaar om in contact te komen met wat wijzen, die me in hun ashram hielden. Een van de dochters van die wijzen zorgde daar voor mij. Terwijl ik daar verbleef, hoorde ik iedere ochtend en avond de recitatie van het tiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita, waardoor ik mijn volgende leven het lichaam van een apsara kreeg op de hemelse planeten, waar mijn naam Padmavati was. Op een dag was ik aan het reizen in een bloemenvliegtuig toen ik de prachtige lotus op dit meer zag. Toen ik hier kwam begon ik te genieten in het water. Op dat moment kwam Durvasa Muni daar aan en zag mij volledig naakt. Omdat ik bang van hem was, nam ik onmiddellijk de gedaante van vijf lotussen aan. Mijn twee armen werden twee lotussen, mijn twee benen werden twee lotussen, en de rest van mijn lichaam vormde de vijfde lotus. Er begon een vuur uit de ogen van Durvasa Muni te komen, en hij zei, “O zondige, je zult honderd jaar in die vorm blijven.” Nadat hij mij vervloekt had verdween hij onmiddellijk, maar gelukkig was ik in staat om het tiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita te onthouden. En vandaag ben ik verlost van de vloek, omdat jij over mij heen bent gevlogen, en daarom ben jij gevallen en is je lichaam zwart geworden. Maar als je van mij het tiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita hoort, zul je in staat zijn om uit deze situatie te komen.”

Nadat Padmavati het reciteren van het tiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita had voltooid, vertrok ze in een vliegtuig naar Vaikuntha. Daarna kwam ik hierheen en offerde ik deze prachtige lotus uit dat meer aan u.”

Heer Shiva zei, “Nadat die zwarte zwaan zijn verhaal had besloten gaf hij onmiddellijk zijn lichaam op en nam hij geboorte in een Brahmaanse familie onder de naam Dhirabuddhi, die vanaf zijn jeugdjaren altijd het tiende hoofstuk van Srimad Bhagavad-gita chantte.

En wie dat chanten ook maar hoorde van hem zou darshan van Heer Vishnu, die de Shankha en Chakra vasthoudt, verkrijgen. Wie er ook maar dat chanten zou horen, of ze nu gevallen waren en verslaafd waren aan bedwelming, of zelfs doders van brahmana’s waren, zij zouden de darshan van Heer Vishnu, die de Shankha en Chakra vasthoudt, verkrijgen. Om die reden, mijn beste Bringiriddhi, ben ik altijd Dhirabuddhi aan het dienen.”


De Glories van het Elfde Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn dierbare Parvati, nu zal ik je de glories van het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita vertellen. Het is niet mogelijk om de volledige glories van dat hoofdstuk te vertellen, aangezien er duizenden verhalen zijn; daarom zal ik slechts één verhaal vertellen.

Aan de oever van de Pranati rivier ligt een grote stad genaamd Megankara, waar de beroemde tempel van Jagat Isvara is te vinden. Jagat Isvara houdt een boog in Zijn hand. In die stad genaamd Megankara woonde een brahmana genaamd Sunanda, die zijn hele leven een brahmachari bleef.

Sunanda ging altijd tegenover Heer Jagat Isvara zitten in de tempel en reciteerde dan het elfde hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita en herinnerde zich de Universele Gedaante van de Heer. Door dat elfde hoofdstuk te reciteren verwierf hij volledige controle over zijn zintuigen en was hij in staat om voortdurend aan Heer Jagat Isvara te denken.

Ooit ging die zuivere brahmana Sunanda op pelgrimstocht naar de heilige plaatsen die aan de oever van de Godavari rivier lagen. Hij bezocht alle heilige plaatsen, te beginnen met Vraja-tirtha. In alle heilige plaatsen die hij bezocht, nam hij een bad en nam hij darshan van de gezaghebbende Deity van die plaats. Op een dag bezocht hij de stad van Vivian Mandela. Hij zocht samen met zijn metgezellen een plek om te overnachten en uiteindelijk vonden ze midden in de stad een dharmashala, waar ze overnachtten. Toen hij ’s morgens wakker werd ontdekte hij dat al zijn metgezellen waren vertrokken. Terwijl hij naar hen op zoek was, ontmoette hij de burgermeester van die stad, die onmiddellijk aan zijn voeten neerviel en zei, “O grote wijze, ik kan niet zeggen waar uw metgezellen naar toe zijn gegaan, maar ik kan u wel vertellen dat er geen toegewijde is die gelijk is aan u. ik heb nog nooit iemand gezien die zo zuiver was als u bent. O mijn beste brahmana, ik smeek u om in deze stad te blijven.”

Toen de brahmana het nederige verzoek van de burgermeester van de stad hoorde, besloot hij om nog een paar dagen te blijven. Dat stadshoofd haalde alles uit de kast voor het comfortabele verblijf van Sunanda en diende hem dag en nacht. Nadat er acht dagen waren verstreken, kwam er, erg hard huilend, een dorpeling naar Sunanda en zei, “O zuivere brahmana, afgelopen nacht heeft er een rakshasa mijn zoon opgegeten.” Sunanda zei, “Waar woont deze rakshasa, en hoe heeft hij je zoon opgegeten?”

De dorpeling antwoordde, “In deze stad woont een erg angstaanjagende rakshasa die iedere dag dorpelingen opeet wanneer hij maar zin heeft. Op een dag gingen we met zijn allen naar die rakshasa en we verzochten hem om ons te beschermen; in ruil daarvoor zouden wij hem voorzien in zijn dagelijkse voedsel. Er werd een dharmashala gebouwd, en alle reizigers die hierheen kwamen werden daar naartoe gestuurd om te overnachten, en terwijl ze aan het slapen waren zou de rakshasa ze opeten. Op deze manier waren we in staat om onszelf te beschermen tegen die rakshasa. U en uw metgezellen verbleven in die dharmashala, maar die rakshasa heeft u en uw metgezellen niet opgegeten. Ik zal u vertellen hoe dat komt. Afgelopen nacht kwam een vriend van mijn zoon langs, maar ik wist niet dat hij een dierbare vriend van mijn zoon was, dus stuurde ik hem naar die dharmashala. Later, toen mijn zoon erachter kwam, ging hij hem achterna om hem terug te halen uit die dharmashala, maar toen hij daar aankwam werd hij ook opgegeten door die rakshasa. Vandaag ging ik in de ochtend naar die rakshasa en vroeg hem waarom hij naast de andere reizigers ook mijn zoon op had gegeten. Ik vroeg hem ook of het mogelijk was om mijn zoon terug te krijgen. Die rakshasa zei tegen me, “Ik wist niet dat uw zoon de dharmashala had betreden, dus is hij samen met alle anderen ook opgegeten. Wat betreft uw vraag of het mogelijk is om hem terug te krijgen; dat zal mogelijk zijn wanneer ik bevrijd ben van dit rakshasa lichaam, en dat is zal op zijn beurt weer mogelijk zijn door de genade van een persoon die het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita dagelijks reciteert.

Momenteel verblijft er een brahmana in deze stad die in deze dharmashala heeft verbleven, maar ik heb hem niet opgegeten omdat hij dagelijks het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteert. Als hij dagelijks zeven keer het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteert en dan water op mij sprenkelt, dan zal ik in staat zijn om verlost te worden van de vloek van dit rakshasa lichaam.”

Sunanda vroeg aan die dorpeling, “Welke zonde heeft die persoon begaan dat hij een rakshasa lichaam heeft gekregen?” De dorpeling antwoordde, “Lang geleden woonde er een boer in deze stad. Op een dag was hij zijn akkers aan het beschermen toen hij in de nabije verte zag dat een grote aasgier iemand aanviel die over de weg aan het lopen was. Op dat moment kwam er een yogi langs en toen hij zag dat die persoon werd aangevallen door die aasgier, snelde hij op die persoon af om hem te helpen, maar toen hij bij hem aankwam was het al te laat. Die yogi werd toen erg kwaad op de boer en zei het volgende tegen hem: “Iemand die ziet dat anderen het gevaar lopen aangevallen te worden door dieven, slangen, wapens, vuur etc., en niet te hulp schiet ondanks dat hij in staat zijn om te helpen, wordt gestraft door Yamaraja. Na voor een erg lange tijd te hebben geleden in de hel, neemt hij geboorte als een wolf. En iemand die een ander helpt die in nood verkeert, stelt Heer Vishnu zeker tevreden. Iemand die een koe probeert te redden van een woest dier, een mens van lage afkomst of een verdorven heerser, bereikt Heer Vishnu. Verdorven boer, je zag dat die persoon aangevallen werd door die aasgier, maar toch deed je geen poging om hem te redden. Nu vervloek ik je om geboorte te nemen als een rakshasa.” De boer zei, “O zachtaardige wijze, ik heb de hele nacht mijn akkers bewaakt en ik ben nu erg moe, dus wees me alstublieft genadig.” De yogi antwoordde, “Wanneer iemand die dagelijks het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteert jouw hoofd besprenkelt met water, zul je verlost worden van deze vloek.”

De dorpeling zei, “Mijn beste Sunanda, wees alstublieft zo vriendelijk om met uw hand water op het hoofd van deze rakshasa te prenkelen.” Nadat hij die geschiedenis had gehoord van de dorpeling, ging Sunanda met hem mee naar de plaats waar die rakshasa verbleef en sprenkelde, terwijl hij het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteerde, water op het hoofd van de rakshasa. Die rakshasa kreeg onmiddellijk een vierhandig lichaam zoals dat van Heer Vishnu. Niet alleen hij, maar ook de duizenden personen die hij had opgegeten kregen een vierhandige gedaante zoals die van Heer Vishnu. Daarna namen ze allemaal plaats in het bloemenvliegtuig dat naar hen toe was gestuurd om ze allemaal mee te nemen naar Vaikuntha.

Toen hij al deze wonderbaarlijke gebeurtenissen had aanschouwd, vroeg de dorpeling aan de rakshasa wie van hen zijn zoon was. De rakshasa begon te lachen en wees naar een van de duizenden prachtige personen die in het transcendentale vliegtuig zaten en zei, “Dat is je zoon.” De dorpeling verzocht zijn zoon om met hem mee naar huis te gaan, maar toen de zoon het verzoek van zijn vader hoorde, zei hij glimlachend, “Mijn beste meneer, vele malen bent u mijn zoon geweest en ik de uwe, maar nu ben ik, dankzij de genade van deze grote zuivere toegewijde Sunanda, verlost van deze kringloop van geboorte en dood en nu ga ik naar mijn ware thuis, Vaikuntha. Beste meneer, wees zo goed om u over te geven aan de lotusvoeten van Sunanda, hoor het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita van hem, en u zult ook in staat zijn om het verblijf van Heer Vishnu (Vaikuntha) te bereiken; hier bestaat geen twijfel over. In antwoord op de vragen van Zijn vriend Arjuna, kwamen deze nectargelijke instructies uit de mond van Heer Krishna, op het slagveld van Kurukshetra. En alleen door dit gesprek te horen en reciteren kan men de strakke knoop die ons aan dit rad van geboorte en dood bindt doorhakken.”

Heer Shiva zei, “Nadat hij deze wijze woorden tot zijn vader had gesproken, ging hij samen met die andere fortuinlijke zielen naar Vaikuntha. Zijn vader leerde het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita van Sunanda en hij ging niet lang daarna ook naar Vaikuntha.”

Mijn dierbare Parvati, je hebt nu de glories gehoord van het elfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita, dat in staat is om alle zondige reacties te vernietigen.


De Glories van het Twaalfde Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Ik zal de wonderbaarlijke glories van het twaalfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita aan je vertellen, beste Parvati.”

In het zuiden ligt er een belangrijke heilige plaats genaamd Kolhapur, waar de tempel van de geliefde partner van de Heer, Maha Lakshmi, ligt. Maha Lakshmi wordt voortdurend aanbeden door alle halfgoden. Die plek is de vervuller van alle verlangens. Rudragaya bevindt zich ook daar. Op een dag arriveerde daar een jonge prins. Zijn lichaam had een gouden kleur. Zijn ogen waren erg mooi. Zijn schouders waren sterk en hij had een brede borst. Zijn armen waren lang en sterk. Toen hij in Kohlapur aankwam, ging hij eerst naar het meer dat bekend staat als Manikantha-tirtha, waar hij een bad nam en zijn voorouders aanbad. Daarna ging hij naar de tempel van Maha Lakshmi, waar hij zijn eerbetuigingen bracht en als volgt begon te bidden: “O Devi, Wiens hart vol genade is, Die aanbeden wordt door heel de drie werelden, die de schenker is van alle fortuin en de Moeder van de Schepping is. Alle glorie aan U, O toevlucht van alle levende wezens. O vervuller van alle verlangens. U bent de wonderbaarlijke energie van Heer Achyuta, Die de drie werelden in stand houdt. U bent de Allerhoogste Godin. O beschermer van de toegewijden, alle glorie aan U. O Devi, het is U die de verlangens van de toegewijden vervult, en het is U die ze in de dienst van Heer Achyuta betrekt. U bent eeuwig en de verlosser van alle gevallen zielen. Alle glories aan U. O Devi, voor het welzijn en ter bescherming van de drie werelden, neemt U vele gedaantes aan zoals Ambika, Brahmi, Vaishnavi, Maheshwari, Varahi Maha-Lakshmi, Narasimhi, Indri, Kumari, Chandika, Lakshmi, Savitri, Chandrakala, Rohini en Parameshwari. Alle glories aan U, wiens glories onbeperkt zijn. Wees me alstublieft genadig.”

Toen Maha Lakshmi die gebeden hoorde, werd Ze erg geplezierd en zei tegen de prins, “O prins, Ik ben erg tevreden met je, vraag Me welke zegening je ook maar in je hart verlangt.”

Die prins zei, “O Moeder van de drie werelden, mijn vader, Koning Brahadrathi, was de beroemde offerande die bekend staat als Aswamedha aan het uitvoeren. Maar voordat hij die yajna kon voltooien stierf hij vanwege een ziekte, en voordat ik die Ashwamedha yajna kon voltooien, stal iemand het paard dat over de wereld had gereisd en was gezuiverd voor offerande in die Ashwamedha. Ik heb mensen alle kanten op gestuurd om naar dat paard te zoeken, maar ze waren niet in staat om hem te vinden. Vervolgens kreeg ik de goedkeuring van de priester om hier naartoe te komen en om Uw hulp te bidden. En, indien U geplezierd bent met mij, wees dan zo vriendelijk om me te laten weten hoe ik dat paard terug kan krijgen om het vuuroffer te volbrengen en dus de verlangens van mijn vader te vervullen.”

Maha-Lakshmi zei, “O nobele prins, bij de poort van mijn tempel verblijft een zeer verheven brahmana die bekend is onder de naam van Siddha-Samadhi. Hij zal in staat zijn om je verlangen te vervullen.”

Toen de prins deze woorden van Maha-Lakshmi hoorde, ging hij naar de plek waar Siddha-Samadhi verbleef en bracht hem zijn eerbetuigingen. Daarna stond hij met gevouwen handen in stilte voor Siddha-Samadhi. Siddha-Samadhi zei toen, “Je bent hier naartoe gestuurd door moeder Maha-Lakshmi, dus ik zal je verlangen vervullen.”

Vervolgens bracht Siddha-Samadhi door wat mantra’s te chanten alle halfgoden ten overstaan van hem. De prins zag op dat moment dat alle halfgoden tegenover Siddha Samadhi stonden, wachtend op instructies. Toen zei Siddha-Samadhi tegen die halfgoden, “O Deva’s, het paard van deze prins, die hij klaar had staan voor zijn offerande, werd in de nacht gestolen door Heer Indra. Wees zo vriendelijk om dat paard nu terug te brengen.”

Die halfgoden brachten hem onmiddellijk dat paard, waarna Siddha-Samadhi hen wegstuurde. Toen de prins al deze wonderbaarlijke gebeurtenissen zag, viel hij neer aan de voeten van Siddha-Samadhi en vroeg aan hem, “Hoe heeft u zulke macht, die ik nog nooit heb zien of waarvan ik nog nooit heb gehoord dat iemand anders die bezat, verworven? O grote wijze, wees zo vriendelijk mijn verzoek aan te horen. Mijn vader, koning Brahadrathi, stierf onverwacht terwijl hij de Asvamedha offerande begon. Zodoende heb ik zijn lichaam bewaard in zuivere gekookte olie. Wees alstublieft zo vriendelijk om hem weer tot leven te brengen.”

Toen hij dit hoorde moest Siddha-Samadhi een beetje grinniken en zei, “Laten we naar die plaats gaan waar je het lichaam van je vader hebt bewaard.” Toen ze bij die plek aankwamen nam Siddha-Samadhi wat water in zijn hand en sprenkelde, terwijl hij wat mantra’s reciteerde, wat water op het hoofd van het dode lichaam van koning Brahadrathi. Meteen toen dat water het hoofd raakte zat de koning rechtop en vroeg hij aan Siddha-Samadhi, “O grote toegewijde, wie bent u?” De prins lichtte de koning toen onmiddellijk in over alles wat er gebeurd was. Toen de koning dat verhaal hoorde, bracht hij keer op keer zijn eerbetuigingen aan Siddha-Samadhi, en vroeg aan hem wat voor ascese hij had verricht om zulke krachten te verwerven. Toen hij de vraag van de koning hoorde, antwoordde Siddha-Samadhi, “Mijn beste koning Brahadrathi, ik reciteer dagelijks het twaalfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita.”

Nadat hij de woorden van die grote toegewijde had gehoord, leerde de koning het twaalfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita van Siddha-Samadhi. Na verloop van tijd bereikten zowel de koning als zijn zoon de lotusvoeten van Heer Krishna. Vele andere personen hebben het hoogste doel, toewijding vooe de lotusvoeten van Heer Krishna, bereikt door dagelijks het twaalfde hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te chanten.


De Glories van het Dertiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “O Parvati, luister alsjeblieft naar de ongelimiteerde glories van het dertiende hoofdstuk van de Srimand Bhagavad-gita, waar je, door ze te horen, erg gelukkig van zult worden.”

In het zuiden lag een erg grote rivier met de naam Tungabhadra, waaraan een zeer mooie stad genaamd Hariharpur aan de oever lag. Daar werd de deity van Heer Shiva genaamd Harihara aanbeden. Iemand die zijn darshan heeft, verkrijgt gunstige dingen.

In Hariharpur woonde een brahmana genaamd Hari-diksit, die erg geleerd was en een sober leven van eenvoud leidde. Zijn vrouw werd Duracara genoemd door de mensen. Dit kwam door haar activiteiten, die van lage klasse waren. Ze sprak altijd in krasse taal tot haar echtgenoot en had nog nooit met hem het bed gedeeld. Ze was altijd onbeleefd tegen de vrienden van haar echtgenoot en ze was altijd in het gezelschap van andere mannen, om haar lustige verlangens te verzadigen. Ze was ook verslaafd aan het nemen van verschillende soorten bedwelmende middelen. Toen ze zag dat de stad meer en meer bevolking kreeg, bouwde ze een klein bouwsel in de bossen waar ze haar minnaars kon ontmoeten.

Op een nacht, toen ze erg veel lust voelde en niet in staat was om een minnaar te vinden die haar lust kon verzadigen, ging ze het bos in naar haar ontmoetingsplaats, om te kijken om daar misschien één van haar vele minnaars te vinden was. Toen ze daar ook niemand kon vinden en nog steeds in vuur en vlam stond van lust, begon ze door het bos te dolen in de hoop dat ze daar iemand zou tegenkomen die haar lustige verlangens kon verzadigen. Nadat ze zo een tijdje had rondgedoold maar niemand kon vinden, kwelden haar lichaam, zintuigen en geest, niet in staat zijnde om hun lust te verzadigen, haar dusdanig dat ze verward raakte, ging zitten en begon te huilen.

Een hongerige, slapende tijger werd wakker van het geluid van haar gehuil en bereikte snel die plaats. Toen ze de tijger hoorde aankomen, stond de vrouw op en dacht dat er nu toch zeker wel iemand aankwam die haar behoeftes kon bevredigen, maar in plaats daarvan zag ze plotseling de tijger voor haar verschijnen. Hij stond op het punt om haar te verscheuren me zijn scherpe klauwen.

Op dat moment sprak de vrouw de tijger aan, “O tijger, waarom ben je hier gekomen om me te doden? Vertel me dit eerst en daarna mag je me doden.” Die koning van de dieren zag er vanaf om Durachara te doden en begon te lachen. Toen vertelde hij het volgende verhaal:

“In het zuiden ligt een rivier genaamd Malapaha. Aan haar oever ligt de stad Muniparna. Op die plek staat een beroemde deity van Heer Shiva, die bekend staat als Panchalinga. In die stad had ik geboorte genomen in een brahmana familie. Hoewel ik zo’n verheven geboorte had genomen, was ik toch erg gierig en had ik geen controle over mijn zintuigen. Doorgaans zat ik aan de oever van de rivier en verrichtte ik offerandes voor die personen die niet gekwalificeerd waren om aan zulke offerandes deel te nemen. Ik nam ook voedsel van materialistische personen tot me in hun huizen. In de naam van het verrichten van offerandes en dienst aan de deity vergaarde ik ook meer geld dan nodig was, en gebruikte dat geld voor mijn eigen zintuiglijke bevrediging. Ik bekritiseerde ook de brahmana’s die strikt de regels en bepalingen volgden, en gaf nooit iemand aalmoezen. Langzaam maar zeker werd ik oud, mijn haar werd grijs, mijn tanden vielen eruit, mijn ogen werden slechter, maar toch verloor ik niet mijn zucht naar het vergaren van meer rijkdom. Op een dag ging ik, om voor wat aalmoezen te bedelen, per ongeluk naar het huis van enkele brahmana’s, die erg boosaardig waren en ook deskundig waren op het gebied van bedrog, maar lieten de honden los op mij. Een van die honden beet mij in mijn been en zo viel ik en stierf ik snel. Daarna kreeg ik het lichaam van deze tijger, en verblijf ik in dit gevaarlijke woud. Gelukkig ben ik in staat om mijn vorige geboorte te herinneren en dus val ik in deze geboorte geen toegewijde, sannyasi of kuise vrouw aan. Ik eet alleen de zondige personen en onkuise vrouwen op; zij zijn mijn voedsel. Aangezien jij de meest onkuise en zondige vrouw bent, zul jij zeker mijn middagmaal worden.”

Nadat de tijger zijn verhaal had verteld, verorberde hij die zondige vrouw. Daarna gooiden de Yamaduta’s haar in de hel genaamd Duyada, wat een meer vol ontlasting, urine en bloed is, en daar, op die smerige plek, moest ze tien miljoen kalpa’s lang blijven. Daarna werd ze in hel die Raurava heet geworpen, waar ze honderd manvantara’s moest blijven, waarna ze weer op aarde geboorte nam als een vrouwelijke chandala. Weer leefde ze op dezelfde zondige manier als ze voorheen had geleefd en vanwege haar zondige activiteiten kreeg ze lepra en tuberculose. Toevallig en door goed geluk, ging ze ooit eens naar de heilige plaats genaamd Hariharpur in de buurt van de tempel Jambakadevi (Parvati). Ze zag de grote heilige Vasudeva die altijd het dertiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita aan het reciteren was. Ze hoorde die recitatie uit zijn mond, en doordat ze erdoor aangetrokken werd, hoorde ze het keer op keer, en door dat horen was ze in staat om dat lichaam van een chandala op te geven en volledig vrij te worden van de reacties op de zondige activiteiten die ze in vorige levens had begaan. Ze kreeg een vierhandige gedaante gelijk aan die van Heer Vishnu, en ze werd meegenomen naar Vaikuntha.


 

De Glories van het Veertiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “O Parvati, wees zo vriendelijk om nu van mij met de grootste aandacht te horen over de glories van het veertiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita.

In Simhaldvip was er eens een koning met de naam Vikram-Vetala. Op een dag, toen hij naar het woud ging om te jagen, nam hij zijn zoon en twee jachthonden met hem mee. Toen hij het woud bereikte, liet hij de hond los om op een konijn te jagen. Toen de hond het konijn aan het achtervolgen was, leek het alsof het konijn vloog. Rennend en rennend bereikte dat konijn een prachtige kluizenaarshut die erg vredig was. Een hert zat daar tevreden onder de schaduw van de bomen en de apen waren blij de vruchten van die bomen aan het eten. De welpjes van tijgers waren met de babyolifantjes aan het spelen en slangen kropen over de pauwen heen. In dit woud woonde de grote wijze Vatsa, die Heer Krishna aanbad door het veertiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita te reciteren. In de buurt van de ashram van Maharaja Vatsa was een van zijn discipelen zijn voeten aan het wassen terwijl hij het veertiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita aan het chanten was. Daardoor was de aarde op die plek nat geworden. Op dat moment kwam het konijn aangerend en het gleed uit in die modder. Dat konijn kreeg onmiddellijk een hemels lichaam. Er kwam een vliegtuig naar beneden dat hem meenam naar de hemelse planeten. Kort daarna verscheen de hond daar, op zoek naar het konijn, en ook hij gleed uit in de modder, gaf zijn lichaam op, kreeg een hemels lichaam en werd meegenomen naar de hemelse planeten.

Toen hij dit zo zag, begon de discipel van Maharaja Vatsa te lachen. Koning Vikram-Vetala, die de grappige gebeurtenissen ook had waargenomen, vroeg aan die brahmana, “Hoe is het mogelijk dat het konijn en de hond voor onze ogen naar de hemel gingen?” Die brahmana zei, “In dit woud houdt een grote wijze genaamd Vatsa, die zijn zintuigen volledig overwonnen heeft, zich altijd bezig met het chanten van het veertiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita. Ik ben zijn discipel, en door zijn genade houd ik me ook altijd bezig met het chanten van het veertiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita. Doordat dat konijn en die hond uitgleden in de modder, dat was natgemaakt door het water dat mijn voeten heeft gewassen, bereikten ze beiden de hogere planeten. Nu zal ik je de reden vertellen waarom ik aan het lachen was; In Maharashtra ligt de stad genaamd Pratudhak. Een brahmana genaamd Keshava woonde daar. Hij was de meest wrede onder de mensen. De naam van zijn vrouw was Vilobbana. Ze was een erg losbandige dame, die altijd het gezelschap hield van andere mannen. Om deze reden werd haar echtgenoot erg kwaad en doodde hij haar. In haar volgende leven werd ze die hond, en de Brahmana Keshava werd dat konijn, vanwege zijn zondige activiteiten.”

Heer Shiva zei, “Na de glories van het veertiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te hebben gehoord, begon Koning Vikram-Vetala ook dagelijks het veertiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te chanten, en toen hij zijn lichaam verliet, ging hij naar Vaikuntha waar hij in staat werd gesteld om zich eeuwig bezig te houden met de dienst aan de lotusvoeten van Heer Vishnu.”


De Glories van het Vijftiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn beste Parvati, nu zal ik je over de glories van het vijftiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita vertellen, dus luister alsjeblieft aandachtig.

In Gaudadesa was er eens een koning genaamd Narasingha. Hij was zo machtig dat hij in staat was om de halfgoden te verslaan. De commandant van zijn leger stond bekend onder de naam Sarabhmerund. Hij was erg gierig, en samen met de prins smeedde hij een plan om de koning te doden en zelf de heerser van Gaudadesa te worden. Maar nog voor hij dat plan kon uitvoeren kreeg hij cholera en stierf hij erg snel. Vervolgens nam hij geboorte als een paard in het land dat bekend staat als Sindhu. Dat paard was erg mooi en kon erg hard rennen. Hij had alle eigenschappen van een wedstrijdpaard. Op een dag zag de zoon van een erg rijke man uit Gaudadesa dat paard en besloot hem te kopen met de intentie om hem te verkopen aan de koning van Gaudadesa. Nadat hij dat paard gekocht had, nam hij hem mee naar de hoofdstad van Gaudadesa. Toen hij in de stad aankwam ging hij rechtstreeks naar het paleis van de koning en verzocht de schildwacht om de koning in te lichten over zijn aankomst.

Toen hij voor de koning kwam te staan, vroeg de koning, “Wat heeft u hier gebracht?” Die zakenman antwoordde, “O koning, in Sindhu heb ik een paard gevonden van de hoogste kwaliteit en zijn gelijke kan nergens in het hele universum gevonden worden. Ik heb er ontzettend veel geld voor betaald.” De koning beval, “Breng dat paard onmiddellijk hierheen.” Zo geschiedde het, en toen de koning het paard zag was hij erg tevreden over de hoge kwaliteit van het paard. Na het paard te hebben onderzocht betaalde de koning zonder verdere overweging het bedrag dat de zakenman vroeg voor het paard.

Na een paar dagen besloot de koning om te gaan jagen. Rijdend op dat paard, ging hij op weg naar het woud, waar hij een hert zag dat hij onmiddellijk achterna ging. Hij volgde het hert waar het ook maar heen vluchtte, en na een poosje had hij de rest van zijn groep ver achter gelaten. Na zo lang op het hert te hebben gejaagd, werd hij erg moe, en dus besloot hij om even te gaan rusten. Hij bond het paard vast aan de tak van een boom en ging zelf op een grote rots zitten.

Na een tijdje zag hij een stuk perkament in de wind waaien, en het landde naast hem op de rots. Op dat stuk perkament stond een halve shloka van het vijftiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita geschreven. De koning begon het hardop te lezen, en terwijl het eerste geluid uit zijn mond kwam, viel dat paard neer op de grond en verliet zijn paardenlichaam. Hij kreeg een transcendentale vierhandige gedaante en nam onmiddellijk plaats in een bloemenvliegtuig, dat was neergedaald vanuit Vaikuntha om hem mee te nemen naar het bovenzinnelijke rijk van Vaikuntha.

De koning zag dat er een prachtige ashram in de buurt lag, omringd door fruitbomen. In die ashram zat een brahmana die volledige controle had over zijn zintuigen. De koning bracht zijn eerbetuigingen aan die brahmana en vroeg met gevouwen handen aan hem, “Hoe komt het dat mijn paard in staat was om Vaikuntha te bereiken?” De brahmana, wiens naam Vishnusharma was, antwoordde, “O koning, voorheen had u een hoofdcommandant in uw leger, die bekend stond als Sarabhmerund. Hij had samen met de prins een plan gesmeed om u te onttronen. Maar voor hij dat plan kon uitvoeren, werd hij getroffen door cholera en stierf hij, waarna hij geboorte nam als dat paard. Per toeval hoorde hij enkele woorden van het vijftiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita en bereikte hij Vaikuntha.”

De koning bracht zijn eerbetuigingen aan die brahmana en keerde terug naar zijn hoofdstad, waar hij steeds weer las wat er op dat stukje perkament stond geschreven. Na een tijd kroonde hij zijn zoon koning van Gaudadesa en ging hij zelf naar het woud, waar hij regelmatig het vijftiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita las en zeer snel de lotusvoeten van Heer Vishnu bereikte.


De Glories van het Zestiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn liefste Parvati, ik zal je nu vertellen over de glories van het zestiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita.

In Gujarat ligt een stad genaamd Saurashtra (Surat). Koning Khadgabahu had daar zijn koninkrijk, waar hij leefde als een soort van aardse Indra, de koning van de hemelse planeten. Hij had een erg gepassioneerde olifant genaamd Arimardana, wiens slapen een vloeistof afscheidden omdat hij zo trots was. Op een dag brak die olifant los van zijn ketens en begon in een woedeuitbarsting de olifantenschuur te vernietigen, waarna hij erg wild hier en daar begon te rennen en de burgers begon te achtervolgen. Iedereen maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten. De olifantenhoeders lieten dit de koning onmiddellijk weten, en toen de koning het nieuws hoorde, ging hij onmiddellijk samen met zijn zoon naar de plek waar de dolle olifant zich bevond. Koning Khadgabahu verstond de kunst van het temmen van wilde olifanten. Toen de koning aankwam op de plek waar de olifant amok had gemaakt, zag hij dat er al veel personen vertrapt waren en dat anderen in het wilde weg renden om die olifant te ontwijken.

Net op dat moment, toen de koning die chaotische scène aanschouwde, kwam er brahmana vredig terug van het nemen van zijn bad in het nabijgelegen meer. Die brahmana was stilletjes de eerste drie shloka’s van hoofdstuk zestien van Srimad Bhagavad-gita aan het chanten, die beginnen met het woord ‘abhayam’ (angstloosheid). Toen de mensen die brahmana richting de olifant zagen lopen, zeiden ze tegen hem dat hij uit de buurt moest blijven van de olifant, maar de brahmana schonk daar geen aandacht aan. Hij liep recht op die dolle olifant af en begon hem te aaien. Toen de olifant die brahmana aan zag komen, verloor hij onmiddellijk al zijn woede en ging vredig liggen.

Nadat die brahmana de olifant eventjes geaaid had, vervolgde hij vredig zijn weg. Toen de koning en alle aanwezige inwoners deze wonderbaarlijke incidenten zagen, waren ze stomverbaasd. De koning stapte onmiddellijk op die brahmana af en viel neer aan zijn voeten. Daarna vroeg hij aan de brahmana, “Wat voor ascese en aanbidding heeft u verricht dat u zulke vreedzaamheid en wonderbaarlijke krachten heeft gekregen?” De brahmana antwoordde, “Ik reciteer dagelijks wat shloka’s uit het zestiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita.”

Heer Shiva zei, “Die koning verzocht de brahmana om mee naar het paleis te komen, waar hem honderd gouden munten gedoneerd werden, en verzocht die vrome brahmana om hem het chanten van die verzen uit het zestiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita te leren.

Nadat Koning Khadgabahu die verzen een tijdje had gechant, ging hij op een dag samen met zijn schildwachten naar de plaats waar die dolle olifant werd gehouden en beval de olifantenhoeders om hem vrij te laten. Daarop werden de inwoners van de stad boos op de koning, omdat ze dachten dat de olifant weer amok zou gaan maken. De koning ging voor die dolle olifant staan. De olifant ging onmiddellijk liggen, en de koning begon hem te aaien. Vervolgens keerde de koning terug naar zijn paleis, waar hij de troon aan zijn zoon gaf en naar het woud ging, waar hij Heer Krishna aanbad door die shloka’s uit het zestiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita te chanten en zo erg snel de lotusvoeten van Heer Krishna bereikte.

Iedereen die het zestiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita chant, hoe zondig hij ook is, bereikt zeer snel hetzelfde doel als Koning Khadgabahu; namelijk de lotusvoeten van Heer Krishna.


De Glories van het Zeventiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Heer Shiva zei, “Mijn dierbare Parvati, je hebt de ongelimiteerde glories van het zestiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita gehoord. Hoor nu over de nectargelijke glories van het zeventiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita.

De zoon van Koning Khadgabahu had een dienaar met de naam Dushasan die erg doortrapt en buitengewoon dwaas was. Dushasan was een weddenschap aangegaan met de prins dat hij de olifant kon berijden, waarop hij prompt op de olifant sprong en na een paar passen te hebben gezet, verzochten de mensen die daar aanwezig hem om die gevaarlijke olifant niet te berijden. Maar dwaas als Dushasan was, begon hij die olifant aan te porren en ook gebruikte hij sterke taal om hem aan te sporen. Plotseling werd die olifant erg kwaad en begon hij wild hier en daar heen te rennen. Niet in staat zijnde om zich vast te houden, viel Dushasan op de grond. De olifant stampte op hem en Dushasan stierf. Daarna kreeg hij het lichaam van een olifant in Simhaldvip, waar hij in het paleis van de koning verbleef.

De koning van Simhaldwip was een goede vriend van Koning Khadgabahu. Op een dag besloot de koning van Simhaldwip om die olifant als cadeau op te sturen naar zijn vriend, Koning Khadgabahu, die op zijn beurt die olifant weer aan een poëet gaf die hem tevreden had gesteld met zijn mooie poëzie.

Op zijn beurt verkocht die poëet die olifant weer aan de koning van Malva, voor honderd gouden munten. Na een tijdje kreeg die olifant een dodelijke ziekte. Toen de olifantenhoeders zagen dat de olifant niet langer meer eten of drinken nam, brachten ze hun verslag uit aan de koning. Daarop ging de koning samen met de beste dokters die hij had naar de plaats waar de olifant verbleef. Toen hij daar aankwam begon de olifant tot grote verrassing van de koning te spreken, “Mijn beste koning, u bent zeer vroom, en een strikte volgeling van de Veda’s. u aanbid altijd de lotusvoeten van Heer Vishnu. U dient te weten dat deze medicijnen en deze dokters nu geen zin meer hebben. Noch liefdadigheid of offerande zal helpen op het moment van de dood. Als u echt om me geeft en me wilt helpen, breng me dan iemand die dagelijks het zeventiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteert.”

Zoals verzocht door die olifant bracht de koning een toegewijde die regelmatig het zeventiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita reciteerde. Die toegewijde sprenkelde water op de olifant terwijl hij het zeventiende hoofdstuk aan het chanten was. Daarop verliet die olifant zijn lichaam en kreeg hij een vierhandige gedaante, gelijkend op die van Heer Vishnu. Hij nam onmiddellijk plaats in een bloemenvliegtuig, die naar hem toe was gestuurd om hem mee te nemen naar Vaikuntha. Toen hij zo in dat vliegtuig zat, vroeg de koning aan hem over zijn vorige leven, en Dushasan vertrok, nadat hij de koning alles had verteld, naar Vaikuntha. Daarna begon die beste der mensen, koning Malva, ook regelmatig het zeventiende hoofdstuk van te reciteren. Niet lang daarna bereikte hij de lotusvoeten van Heer Krishna.


De Glories van het Achttiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gita uit de Padma Purana

Parvati zei, “Mijn liefste echtgenoot, je hebt me de glories van het zeventiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita verteld; vertel me nu over de glories van het achttiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita.”

Heer Shiva zei, “O dochter van de Himalaya’s (Parvati), luister alsjeblieft naar de glories van het achttiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita, dat hoger is dan de Veda’s en de schenker is van onbeperkte gelukzaligheid. Wanneer het iemands oren binnengaat, vernietigt het alle materiële verlangens. Voor de zuivere toegewijde is het zuivere nectar, het is Heer Vishnu’s leven en het is een soelaas voor de harten van Heer Indra en de halfgoden alsmede de grote yogi’s aangevoerd door Sanaka en Sananda.

Iemand die het reciteert stuurt de boodschappers van Yamaraja ver weg. Er bestaat geen andere recitatie die zo snel alle zonde kan vernietigen en iemand kan bevrijden van de drievoudige ellende van deze wereld als de recitatie van dit hoofdstuk. Luister nu met grote toewijding.

Op de hoogste piek van Mount Meru ligt Amarvati, dat gebouwd werd door Visvakarma. In dat hemelse koninkrijk worden Heer Indra en zijn vrouw Saci gediend door de halfgoden. Op een dag toen Heer Indra vredig op zijn troon zat, zag hij dat er een erg mooie persoon was gearriveerd die gediend werd door de dienaren van Heer Vishnu. Toen Heer Indra die prachtige jonge persoon zag, viel hij onmiddellijk van zijn troon en op de grond. Op dat moment pakten de halfgoden die Indra aan het aanbidden waren zijn kroon van zijn hoofd en plaatsten deze op het hoofd van die net gearriveerde persoon. Daarna begonnen alle halfgoden en andere inwoners van de hemelse planeten arati te verrichten en prachtige liedjes te zingen voor die nieuw Koning Indra. De grote rishi’s kwamen ook daar, gaven hun zegeningen en reciteerden Vedische mantra’s en de Gandharva’s en Apsara’s begonnen vreugdevol te zingen en dansen. Op deze manier begon de nieuwe Indra, die niet de gewoonlijke honderd paardenoffers had gebracht, te genieten van honderden verschillende soorten dienst die geleverd werd door de halfgoden en andere inwoners van de hemelse planeten. Toen de oude Indra dit zag, was hij erg verrast.

Hij begon te denken, “Deze persoon heeft nog nooit putten of kunda’s gegraven, noch heeft hij bomen geplant voor het welzijn van anderen, en wanneer er droogte was, heeft hij geen granen geschonken uit liefdadigheid. Hij heeft nooit vuuroffers gebracht of grote aalmoezen geschonken in heilige plaatsen. Dus hoe heeft hij mijn troon kunnen bemachtigen?” De oude Indra raakte hierdoor erg van slag en ging daarom naar de melkoceaan om tot Heer Vishnu te bidden. Toen hij darshan van Heer Vishnu verkreeg, vroeg hij Hem, “Mijn beste Heer Vishnu, in het verleden heb ik vele offerandes en andere vrome activiteiten verricht, waardoor ik mijn plek als koning van de hemel heb verworven. Maar nu is er een ander persoon gekomen die mijn positie als koning van de hemel heeft ingenomen. Deze persoon heeft nog nooit in zijn leven grote, wonderbaarlijke, vrome activiteiten verricht, noch heeft hij grote Vedische offerandes verricht. Dus, hoe is het mogelijk dat hij mijn troon heeft bemachtigd?”

Heer Vishnu antwoordde, “Mijn beste Indra, die grote ziel heeft dagelijks het achttiende hoofdstuk van de Srimad Bhagavad-gita gereciteerd. Iedere dag van zijn leven reciteerde hij vijf shloka’s van dit hoofdstuk, en vanwege die activiteit heeft hij de resultaten van allerlei soorten vrome activiteiten en yajna’s verkregen, en nadat hij voor vele jaren heeft genoten als koning van de hemel, zal hij Mijn persoonlijke verblijf bereiken. Als jij dezelfde activiteit van het reciteren van het achttiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita verricht, kun jij ook Mijn goddelijke verblijf bereiken.”

Nadat hij de woorden van Heer Vishnu had gehoord, nam Heer Indra de gedaante aan van een brahmana en ging naar de oever van de Godavari Rivier, waar hij de erg heilige stad van Kalegrani zag. In die plaats verblijft de Allerhoogste Heer in Zijn gedaante als Kalesva. In de buurt van deze stad, aan de oever van de Godavari Rivier, zat een zeer zuivere brahmana die erg genadig was en die het allerhoogste doel en geheim van de Vedische literatuur had begrepen. Hij ging dagelijks op die plek zitten en shloka’s uit het achttiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita reciteren. Toen Heer Indra hem zag werd hij erg gelukkig. Hij viel onmiddellijk neer aan zijn lotusvoeten en verzocht hem om het achttiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita aan hem te onderwijzen. Nadat Heer Indra het reciteren ervan een tijdje had geoefend wist hij de allerhoogste plaats van Vishnuloka te bereiken. Toen hij die plek bereikte, realiseerde hij zich dat het genoegen waar hij, samen met de halfgoden, van genoten had als Koning Indra, in vergelijking helemaal niets voorstelde.

Mijn liefste Parvati, om deze reden chanten de grote wijzen vooral dit achttiende hoofdstuk van Srimad Bhagavad-gita en bereiken door dit te doen heel snel de lotusvoeten van Heer Vishnu.

Iedereen die deze Gita Mahatmya hoort of bestudeert vernietigt heel snel alle zonden die hij vergaard heeft. En die persoon die met groot geloof dit gesprek herinnert, bereikt de resultaten van alle soorten vrome activiteiten en grote offerandes, en bereikt, na te hebben genoten van alle wereldse weelde, het verblijf van Heer Vishnu.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© 2014 Bhagavad Gita Seminar